Preek van 29 maart

“Zul je voorzichtig zijn? Ik weet wel dat je maar een boodschap doet, hier om de hoek…”

Hoe een gedicht in een bepaalde situatie opeens een andere, diepere lading krijgt. De woorden van dichter Adriaan Morriën heb ik altijd mooi gevonden. De liefdevolle zorg in het alledaagse leven, het besef dat weinig tot niets vanzelfsprekend is, dat we elkaar niet in een doosje kunnen bewaren en dat er dus gevaar is, en onzekerheid, al staan we daar meestal niet te veel bij stil.

Tot alles anders wordt. Tot er geen ontkomen aan is, geen ontkennen meer, van onze kwetsbaarheid, onze angst om elkaar te verliezen, om onze wereld in duigen te zien vallen.

Achter deze hoek, een werelddeel,
Achter dit ogenblik, een zee van tijd.
Zul je voorzichtig zijn?

De afgelopen weken is er veel door me heen gegaan, ook ik ben bij tijd en wijle aan onzekerheid en frustratie ten prooi gevallen, ik heb me opgesloten gevoeld en ik ben bang geweest.

Maar wat me het meest heeft geraakt is misschien wel dit: die zachte bezorgdheid van mensen om elkaar. De verbondenheid, ook binnen onze Federatie. De mensen die me belden of schreven: Kan ik iets voor iemand doen? De mensen die zichzelf kwetsbaar weten en toch aan anderen denken en naar hen informeren. En hen – hardop of in gedachten – toefluisteren: Zul je voorzichtig zijn?

Zul je voorzichtig zijn, dat gaat natuurlijk over de zorg dat mensen het virus zullen oplopen en er misschien wel heel ernstig ziek van worden. Maar wanneer ik over die woorden nadenk, krijgen ze voor mij ook een diepere betekenis en brengen ze me ook terug bij mezelf.

Deze tijd trekt ook een wissel op onze geestelijke veerkracht. En stelt ons de vraag of we voorzichtig genoeg geweest zijn met onszelf. Of we, als maatschappij en als persoon, genoeg oog hebben gehad voor wat er werkelijk toe doet, voor onze ziel. Hoe staat het er eigenlijk voor met ons? En wat doet deze tijd met ons, nu we zijn stil gezet? En zou daar, in alle ellende en zonder deze te ontkennen, misschien toch ook winst uit te halen zijn?
Daarover peinzend, kwam ik terecht bij een van de psalmen, dat boek vol wijsheid en twijfel, geloof en verzet, dat boek waarin de psalmdichter zich uitspreekt tot God in alle toonaarden. En voor deze ochtend kwam mij psalm 131 te binnen, en in de hertaling van Huub Oosterhuis klinkt dat lied als volgt:

God ik waan mij niet wijzer
Ik weet mij niet meer dan een mens
Keer mij niet af van mijn naaste
Droom geen hoogdravende dromen
Ik heb mijn bestemming erkend
Mijn ziel is tot rust gekomen
Als een kind dat gedronken heeft
En rust aan de borst van zijn moeder
Als een kind dat gedronken heeft
Zo is mijn ziel in mij

Het is een benijdenswaardig beeld, in een tijd waarin de wereld op haar grondvesten lijkt te schudden en ons binnenste meetrilt. Waarin die innerlijke rust ver weg lijkt, en het misschien zelfs wel verkeerd voelt om daarnaar te streven. Immers, de wereld staat in brand, zoveel mensen weten zich bedreigd of hebben grote zorgen, en zou ik dan bezig zijn met mijn eigen ziel?

En toch, zonder iets van die innerlijke rust kun je er ook niet zijn voor een ander. “Keer mij niet af van mijn naaste”, bidt Huub Oosterhuis in zijn versie van psalm 131. Onze bestemming ligt in onze verbondenheid met elkaar, maar die kan alleen vorm krijgen wanneer we in onszelf geland zijn. En wanneer we ook in moeilijke omstandigheden onszelf niet verliezen, maar in de innerlijke stilte kracht ervaren en hervinden.

Ik denk aan Etty Hillesum, de Joods-Nederlandse vrouw die in de oorlog vermoord werd. Haar dagboeken zijn nog altijd een bron van inspiratie om die rust te vinden in een tijd van grote onrust. Zelf begon Etty in 1941 een dagboek bij te houden, omdat zij bang was voor de innerlijke chaos in zichzelf en behoefte had structuur te scheppen en te voelen. En al schrijvend hervond ze zichzelf en vond ze ook God opnieuw.

En ze schrijft dan op zeker moment:
Laat dat dan het doel zijn van mediteren: dat je van binnen een grote ruime vlakte wordt, zonder het geniepige struikgewas dat het uitzicht belemmert. Dat er dus iets van ‘God’ in je komt, zoals er in de Negende van Beethoven iets van ‘God’ is. Dat er ook iets van ‘Liefde’ in je komt, niet zo’n luxe-liefde van een half uurtje waar je heerlijk in zwelgt, trots op je eigen verheven gevoelens, maar liefde waar je iets mee kunt doen in de kleine dagelijkse praktijk.
(-) Doe wat je hand vindt om te doen en denk niet vooruit. Dus maken we nu een bed op en brengen dan de kopjes naar de keuken en dan zien we wel weer verder. Doe wat uw hand en uw geest te doen vinden en duik onder in ieder uur en peuter niet met je denken en je angsten en je zorgen aan volgende uren..

Het is het gevaar van onzekere en bange tijden. Dat we ons verliezen. Dat we van nieuwsbericht naar nieuwsbericht blijven scrollen. En dat we daar zo onrustig van worden, dat het ons verlamd.

Zorg voor de ziel. De tijd nemen om ook zelf echt stil te worden nu de wereld tot stilstand is gekomen. Om je ziel tot rust te laten komen, om diep in jezelf de basis te vinden waarin je je gedragen weet, in en ondanks alles. Juist nu. Om nog één keer Etty Hillesum te citeren:

Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je één ding beloven God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen voor de toekomst niet als evenzovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost enige oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor instaan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aan komt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook eraan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen

Wij zijn geroepen om voorzichtig te zijn. Voorzichtig met elkaar en met onszelf. Om te doen wat we kunnen, maar ons niet groter of sterker te maken dan we zijn. We hoeven ons niet aan de dag van morgen te vertillen. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last, zo leert ook het evangelie ons.

Overvraag jezelf maar niet, gun jezelf rust in deze woelige tijden en weet dat je niet alleen bent, God draagt ons en wij mogen elkaar dragen, op alle zichtbare en onzichtbare manieren.

Amen.