The sorry things within

Het komt bij mij nog wel eens voor dat het onderwerp ‘schuld’ ter sprake komt, in een preek of in één van de gesprekskringen. Niet zelden is er dan iemand die zegt: ‘Schuld, daar doen wij toch niet meer aan, als vrijzinnigen?!’ En al snap ik heel goed waar die uitspraak vandaan komt, het probleem is natuurlijk dat wij er nog wel aan doen. Iedereen doet eraan. Ook als je verre wilt blijven van begrippen als erfzonde of van een klassieke verzoeningsleer. Ook als je een christendom aanhangt dat niet zwaar is, maar licht maakt.

Aan schuld doen we allemaal.
Hoe graag we dat ook anders zouden willen zien. En daarom kunnen we er ook niet omheen om die thematiek een plaats te geven in ons geloof en in onze levensbeschouwing. Juist ook als vrijzinnigen. Niet voor niets is het één van de belangrijkste bijbelse en ook remonstrantse noties: onze verantwoordelijkheid ten opzichte van elkaar, van de schepping en – last but not least – van onze eigen ziel. Dat betekent dat we ook onder ogen moeten zien wat er niet strookt met de gave en opgave die we als mensen hebben gekregen: ‘te wonen op Gods aarde, waar het goed is, goed om met elkaar in zijn verbond te leven.’ (lied 825)

Gezond omgaan met schuld
Het leven zo goed mogelijk maken voor elkaar, zorgvuldig omgaan met de schepping en ons innerlijk leven voeden en beschermen, dat is de op dracht die ons gegeven is. En het besef daarin regelmatig tekort te schieten is onontkoombaar voor wie de eigen verantwoordelijkheid van de mens serieus neemt. En nee, dat geldt niet alleen voor christelijke of religieuze mensen. Een psycholoog zei ooit tegen me: ‘Schuldgevoelens horen bij verantwoordelijkheid. De kunst is allereerst het onderscheid te maken tussen terechte en onterechte gevoelens van schuld. En vervolgens is het de uitdaging daar op een zinnige en gezonde manier mee om te gaan.’
Ik geloof dat de bijbel en onze christelijke traditie ons daarbij kunnen helpen. En dat we juist daarom de thematiek van schuld (en van bevrijding, want die twee horen godzijdank onlosmakelijk bij elkaar) in ere moeten houden en telkens weer bespreekbaar mogen maken. Juist ook in onze vrij zinnige, remonstrantse geloofspraktijk.

Verontrustend
In de geloofsbelijdenis van 2006 staat de zinsnede: ‘Wij geloven in Jezus, een van Geest vervulde mens, het gelaat van God
dat ons aanziet en verontrust.’ Die formulering heeft mij vanaf het begin geraakt. Er is iets in Jezus, in al die verhalen over hem die we telkens weer lezen en waar we ons door willen laten gezeggen, dat verontrustend is. Verontrustend omdat Jezus ons met zijn leer en vooral met zijn leven confronteert met ons menselijk tekort, dat ook het aspect van schuld in zich draagt. En tegelijk kijkt God ons in Jezus zó aan dat we mogen ervaren dat we niet angstig weg hoeven te kruipen, maar in liefde steeds op nieuw mogen beginnen.

Een van de plekken waarop dat voor mij het meest voelbaar wordt, is in de liturgie. En dan vooral in de poëtische verwoordingen die daar klinken, vaak gedragen door muziek die het hart opent. Een voorbeeld daarvan is lied 400 uit ons liedboek, een avondmaals lied uit Iona met een schitterende, eenvoudige melodie die de woorden van inkeer verdiept. De tekst van het lied (John Bell schreef en componeerde het, de vertaling is van Bettine Siertsema) luidt als volgt:

Voordat ik kan ontvangen brood en wijn
en delen in de maaltijd van de Heer,
erken ik wat er donker is in mij
en leg dat neer.

Het woord van steun en troost
dat ik niet sprak,
de hand die ik in trots niet reiken kon,
de vriendschap die in drukte onderging –
ik leg het neer.

Mijn blik, soms onverschillig afgewend,
mijn wil zo fel aan anderen opgelegd,
elk spottend woord waarmee ik heb gekwetst –
ik leg het neer.

In deze kring ziet Christus zelf mij aan.
Ik vraag en schenk vergeving ieder hier,
dat alles wat zijn vrede tegenwerkt
wordt neergelegd.

Heer Jezus, deelgenoot aan deze dis,
ik maak mij leeg en strek mijn handen uit
naar U, naar alles wat U geven wilt
in brood en wijn.

Gedeeld tekort, gedeelde vergeving
Wanneer dit lied gezongen wordt en ik letterlijk de mensen om mij heen aankijk, raak ik ontroerd. Ik ervaar hoe het me bevrijdt om mijn schuld (zonder deze
groter te maken dan ze is, in het Engels staat er zo mooi: the sorry things within) te benoemen en in het gedeeld tekort ook de gedeelde vergeving te ervaren.

In de eerder aangehaalde paragraaf van de belijdenis wordt over Jezus ook gezegd dat hij ons Gods eeuwige liefde nabij brengt. Iets daarvan proef ik op zulke momenten van kerkelijk samenzijn. Bevrijdend en inspirerend. Ook omdat het niet blijft bij dat moment: de liturgische ervaring functioneert als een oefenplaats voor het dagelijks bestaan. Waar het net zo nodig is en net zo bevrijdend kan werken om te erkennen wat mis ging. Om vervolgens onszelf en elkaar de ruimte te geven opnieuw en als nieuw te beginnen.

Die ervaring en die oefening kan ik niet missen. Ze neemt mijn verantwoordelijkheid serieus, vergroot mijn verdraagzaamheid en ze maakt dat ik niet wegzink door mijn eigen zwaarte kracht, maar opgetild wordt door een liefde die groter is dan dat.

Kim Magnée-de Berg,

Deze tekst is opgenomen in Ad-Rem van april 2021.