Tempelreiniging

Er was de afgelopen week in de verschillende media nogal wat van doen over de toespraak die de jonge klimaatactiviste Greta Thunberg hield bij de VN. En dan ging het niet om de inhoud van haar verhaal, maar het ging over de manier waarop. Over haar boosheid om precies te zijn. Deze boosheid riep nogal wat reacties op. “Lelijke klimaatkabouter. Vrouwelijke Hitler. Zeurkous, zeikerd, pleuriskind, duivelsgebroed.” En dat is nog maar een kleine selectie uit de kwalificaties die haar op Twitter werden toegeworpen.

Maar ook in de serieuze media was de woede van Greta reden tot ongemak en kritiek. Zo stond er in het Nederlands Dagblad: “Niet voor niets gebruiken de commentaren op haar toespraak het woord hysterisch. Vorig jaar in Polen was haar toon nog zacht en vriendelijk, later in Stockholm zelfs humoristisch, maar nu was ze alleen boos. Dat is niet verstandig. Want boosheid communiceert niet. Heel soms klaart het de lucht, maar vaker is het een verstikkende uitstoot.”

Al dit ongemak met betrekking tot de woede van deze tiener staat in een lange geschiedenis. Boosheid wordt vaker negatief geduid, dat was al zo in de tijd van de oude Grieken. En ook nu nog maakt woede niet populair. “Ik wist niet dat je boos werd’, zo verwoorden we ons onvermogen om met boosheid om te gaan. Of nog erger, en vooral tegen vrouwen gebruikt, is de uitspraak: “Wat ben je mooi als je boos bent.”

Alsof boos zijn iets is wat we liever niet te serieus nemen, waar we om lachen of voor weglopen.

Liever bedekken we iets met de mantel der liefde dan dat we elkaar eens flink de waarheid zeggen. En zeker ook in de kerk gebeurt het nogal eens dat conflicten worden vermeden en er snel zalvende woorden worden gesproken. Terwijl we ons, zeker ook in het licht van de Bijbel, juist de vraag zouden kunnen stellen of we wel boos genoeg zijn? Want is het niet veel eerder iets om ons voor te schamen dat we zo weinig boos zijn en het haast voor vanzelfsprekend nemen dat de wereld is zoals ze is?

Waar blijft onze heilige verontwaardiging? En waarom maakt de boosheid van iemand als Greta Thunberg ons zo onrustig? Is het misschien, omdat het stiekem een pijnlijke snaar raakt in ons geweten? Omdat we voelen dat het niet klopt, wanneer we maar blijven leven alsof alles goed gaat, zolang het ons maar goed gaat.

Boosheid is een ingewikkeld thema, ik zei het al. En dat geldt zeker ook wanneer we het hebben over de boosheid van Jezus, waar het verhaal van vanmorgen ons over vertelt. Voor velen past het niet in het beeld van de man die symbool staat voor liefde en vergeving, dat verhaal waarin hij woedend te keer gaat. Als Jezus een meisje uit de moderne tijd was geweest hadden we het wel geweten bij het horen van deze geschiedenis: hysterisch, buiten-proportioneel, kon het nou niet een tikje zachter, of op zijn minst met een beetje humor?

Ik moet ook denken aan een modern kunstwerk, waar ook veel mensen geschokt over waren: een tekening van de Zuid-Afrikaanse kunstenares Marlene Dumas met de titel ‘Jezus is boos’.

We zien daarop een donker, paars aangelopen Christus die je doordringend aankijkt met woedende, priemende ogen. Het is een beeld dat je bijblijft, vooral ook omdat we Jezus bijna nooit zo zien. Op schilderijen heeft hij meestal een zachte blik of sterker nog: een oogopslag waar de zoetheid vanaf druipt. Een boze Jezus, die kennen we niet zo goed.

Maar vandaag komt hij ons toch echt zo tegemoet: een razende Jezus is het die tekeer gaat in de tempel in Jeruzalem. Hij ontsteekt in woede als hij ziet hoe het heiligdom een rovershol is geworden waar woekeraars zich verrijken met het offergeld van de armen. Jezus kan (en wil?) zich niet beheersen, als een oud-testamentische profeet gaat hij tekeer, omdat het niet kan wat er gebeurt: Gods huis misbruiken voor eigen gewin, de armen misbruiken om je zelf te verrijken.

‘Leer goed te doen. Zoek het recht, help de verdrukte, bied wezen bescherming, sta weduwen bij,’ lezen we bij Jezus’ verre voorganger, de profeet Jesaja. Dat is de hele theologie van de Hebreeuwse profeten in een notendop. Jezus deelt dat geloof als één van hen. Wij hebben van hem echter een zoetgevooisde allemansvriend gemaakt, en zijn z’n profetische passie voor gerechtigheid vaak vergeten. Die rusteloze hartstocht, die het verlangen wakker houdt naar een beter leven voor ieder wie te kort gedaan wordt. En die hem woedend maakte.

Het is opvallend dat juist dit verhaal, als een van de weinige verhalen over het leven van Jezus in de jaren dat hij rondtrok, in alle vier de evangeliën staat opgetekend.

Blijkbaar kan het verhaal van Christus niet verteld worden zonder ook deze kant van hem te belichten. Wij hoorden het vanmorgen met de woorden van de evangelist Johannes. En daar is nog iets bijzonders mee aan de hand. Waar de andere drie evangelisten ervoor kiezen dit verhaal aan het eind van hun evangelie te plaatsen, als opmaat naar zijn gevangneming en dood, zet Johannes deze vertelling helemaal aan het begin. Direct na het verhaal over de bruiloft te Kana. Alsof hij ermee wil zeggen: juist ook dit optreden van Jezus laat ons iets zien over de basis van zijn handelen, over de basis van zijn geloof. Ja, hij is de man van het wonder, degene die zorgt dat water wijn wordt, dat mensen de goedheid van het leven kunnen blijven proeven, maar hij staat ook volop in de lijn van de profeten die zich hartstochtelijk verzetten tegen alles wat vloekt met Gods bedoeling. Hij is een toonbeeld van liefde, en juist daarom ook een mens van heilige onrust en oprechte woede. Omdat hij gelooft dat we niet mogen zwijgen wanneer er dingen gebeuren die niet zouden mogen gebeuren, die niet zouden moeten bestaan, omdat ze ten hemel schreiend zijn.

Jezus is woedend wanneer hij ziet dat het huis van God geen huis van bezinning en inkeer is, maar een plaats is geworden waar godsdienst gereduceerd is tot handel. Waar het hoogste plat wordt gemaakt, waar slimme en handige mensen verdienen aan het verlangen en de hoop van anderen. Daar verzet Jezus zich tegen, met ongekende felheid.

En hij zegt daarmee dat het faliekant misgaat wanneer de economie, wanneer materiële belangen van mensen, de godsontmoeting in de weg gaan staan. Zo is het Godshuis niet bedoeld. Het gaat in het geloof om iets anders dan het gericht zijn op een bepaalde plek, zeker als die plek ook nog eens door commercie bezoedeld wordt.

Nee het gaat in het geloof om de verbinding met de Levende die ons op het spoor van het leven wil zetten, van dat wat er werkelijk toe doet. Het gaat om het geloof in een toekomst voor de aarde en de mensen. Het gaat om de diepe overtuiging dat alle mensen gelijk zijn en evenveel recht hebben op dat wat de wereld te bieden heeft, evenveel recht ook op aandacht en liefde, dat we allemaal evenveel diepgang en zin nodig hebben.

En waar dat niet het geval is, sterker nog, waar dat recht met voeten wordt getreden, waar de aarde en haar mensheid ten prooi vallen aan uitbuiting en vernietiging, daar kan het toch niet anders of er zou een heilige woede in ons los moeten komen, een gepassioneerde boosheid omdat we geloven dat het anders kan en anders moet.

In de loop van de kerkgeschiedenis is telkens weer geprobeerd dit aspect van het evangelie te domesticeren, om de radicaliteit ervan te bagatelliseren of om te vormen. Maar waar dat gebeurt is de kerk moreel failliet.

Die visie vind ik terug bij de Schotse dichter Edwin Muir. Hij schreef een gedicht toen hij de kerk achter zich liet met daarin de zin: ‘The word made flesh here is made word again.’ Dat betekent zoveel als: Het hoge woord dat in Christus levend is geworden wordt hier weer gereduceerd tot onschuldige woorden.

Als ik dat lees, denk ik: dat zal ons toch niet gebeuren? Dat we ons toch weer terugtrekken in woorden, omdat het zo ongemakkelijk is om onze overtuiging en hoop om te zetten in vlees en bloed. Dat we niet boos meer zijn, dat we dedingen op hun beloop laten, dat we het wel geloven…

Een vergelijkbaar citaat dat ik als tiener ooit las en me altijd is bijgebleven zegt over de boodschap van Jezus voor ons: “Weergaloze taal sprak hij hier, woorden van vuur, maar pas op, brand je vingers niet, want wie ze aanraakt moet ze doen.”

We zouden, zo denk ik, de radicaliteit van het evangelie weer moeten toelaten in ons leven. Radicaliteit, daarin zit het woord radix ‘wortel’ verborgen. Terug naar de wortel van het evangelie, de wortel van de Schrift, waar vanaf het aloude testament het hier om gaat: om een wereld die heel is en heel maakt. Om het visioen van het goede leven voor alle mensen, om de zorg voor de wees, de weduw, de ontheemde. Voor al wie liefde nodig heeft, en recht, en eten, een dak boven zijn hoofd en het vertrouwen dat er ook over honderd jaar nog een leefbare aarde kan zijn.

De kerkvader Augustinus had dat goed begrepen, dat liefde niet zoetsappig is en dat geloof meerdere lagen heeft, naast de compassie ook de passie, naast de zachtheid ook de vasthoudendheid. Zo schreef hij: “Hoop heeft twee prachtige dochters: woede en moed. Woede over hoe de dingen zijn. Moed om te durven geloven dat ze niet zullen blijven zoals ze zijn.”

Als we nu mensen van de hoop zijn, en wat zijn christenen anders dan dat, dan dragen we ook de woede en de moed met ons mee. En dan zullen we vanuit onze diepe bevlogenheid de handen uit de mouwen steken. Mensen gevraagd, zo klonk het ook in deze dienst. Mensen gevraagd, wij worden gevraagd, om het goede te doen. Om ons te laten raken door wat er gebeurt, om boos te zijn over wat ten hemel schreiend is en vanuit die boosheid te doen wat ons te doen staat.

Dat betekent niet dat er niet gelachen mag worden, of niet gerelativeerd. Dat we niet ook zacht mogen zijn. Het betekent ook niet dat we ons zo moeten laten meeslepen door onze boosheid dat deze ons in haar macht heeft in plaats van andersom. Want ook dan gaat het mis: wanneer we zo verharden dat er alleen nog maar woede is.

Maar dat het diepe engagement in onszelf overeind blijft, dat we nooit onverschillig worden, ik geloof dat dat een essentieel element van ons geloof is. En dat we in het spoor van Christus gaan wanneer we daar gehoor aan geven en zo met elkaar actief blijven hopen. Dat wil zeggen ons blijven inzetten voor Gods Koninkrijk, met alle moed die in ons is.

Amen.

Gebruikte bronnen o.a. een column van F. De Lange en een interview met Rikko Voorberg.