Preek voor de zondag voor hemelvaart

Gelezen bijbelteksten: Prediker 1: 1-11 en Johannes 13:31-35

Gemeente van Christus,
Een van de motto’s waar ik me graag door laat leiden, is een uitspraak van de Amerikaanse
schrijver Kurt Vonnegut: “Enjoy the little things in life, because one day you’ll look back and realize those were the big things.”
Heb aandacht en liefde voor de kleine dingen, want uiteindelijk zul je zien dat dat de grote
dingen waren.

Het is voor mij een goede reminder, want vaak lijkt het alsof het om die grote en grootse
dingen gaat, alsof we ons daarop zouden moeten richten en zoveel mogelijk meeslepende
momenten in ons bestaan moeten nastreven. Terwijl ik denk dat dat zowel een vergissing als een illusie zou zijn.
De Vlaamse psychiater Dirk de Wachter, ik haalde hem al eerder aan in een van mijn preken, zei het ooit zo: “We kunnen wel willen dat alles altijd groots en meeslepend is, maar voor de meeste mensen bestaat het leven voornamelijk uit een eindeloze herhaling van dezelfde dingen. Is dat erg? Ik vind van niet. De kunst van het leven bestaat nu eenmaal uit die gewone momenten te waarderen en daar betekenis aan te geven of betekenis in te zien.”
Het echte leven, dat kent natuurlijk hoogte- en dieptepunten, maar wat het meestal is:
gewoon, saai misschien, ogenschijnlijk zinloos soms ook en dan tegelijk vol waarde en
betekenis.
Zo trof het me in het lied dat we net zongen na de lezing uit Prediker: de wonderlijke
alledaagsheid van het bestaan.
De wonderlijke alledaagsheid van het bestaan. Precies dat, zo dacht ik toen ik de tekst las, is de paradox van ons leven: vaak hetzelfde, weinig spannend dikwijls, met levens die op elkaar lijken, maar voor de goede beschouwer ook een wonder en een geschenk. Lucht en leegte, om met de oude Prediker te spreken, maar juist daar blaast God het geheim van het leven binnen.
Telkens weer dezelfde vragen, dezelfde verlangens, hetzelfde verdriet, als een eindeloze
cirkelgang van het bestaan. Maar tegelijk is in elk menselijk bestaan het wonder
voorhanden: dat je er bent, dat we soms opeens ervaren wat ons draagt en optilt, dat het
gewone leven meer dan dat is. Zoals Abel Herzberg dichtte: Er is in ieder deel een deel van
het ondeelbare geheel, gelijk in elke kus, hoe kort, het hele leven meegegeven wordt.
In het kleine ligt het grootse verborgen en juist in het leven van alledag gebeurt datgene
waar het om gaat. En dan gaat het om het genieten inderdaad, om de levenskunst van het
waarderen wat er is, waar Vonnegut en De Wachter en Prediker en al die anderen over
spreken.
Maar dan in een wereld waar geen mens een eiland is en leven dus ook altijd samenleven
betekent, gaat het dan ook om iets anders: om de verantwoordelijkheid van en in het
dagelijks bestaan. Juist ook als gelovig mens.

Het is een van de dingen waar ik me regelmatig over verbaas, dat christenen verweten
wordt dat ze als gelovigen hun verantwoordelijkheid afschuiven, aan God of welke grotere
macht dan ook. Want het is toch juist een van de dingen waar het in het christendom en in
de bijbel over gaat, over verantwoordelijkheid. Naast een boek van troost en hoop en
bemoediging is die verzameling geschriften toch ook altijd een boek over empathie, over
verbinding en toekomst en dus over verantwoordelijkheid. Over wat God aan ons
toevertrouwd heeft en wat van ons verwacht wordt. Wat de Eeuwige begonnen is en nu in
onze handen is gelegd.
Treffend verwoord en verbeeld is precies dat in het gedicht Heenzending van Joke van
Leeuwen:

Goed, zei de schepper, wat ons betreft
is het goed, maar aan jullie laat ik
het met de elleboog voelen of
het badwater niet te heet is,
het behoedzaam proeven of
het eten niet te scherp is,
het drinken niet te zuur is,
het weten waar wat breken kan
zal staan,
het verschonen van wat stinkt en
opnieuw stinkt,
het aanpassen van de voetstap,
het onverstaanbaar zingen
in het donker,
het herhalen van moeilijke woorden,
het tellen tot oneindig
en het hekje voor het trapgat.

 

Het is voor mij een ultiem gedicht over verantwoordelijkheid als onlosmakelijk deel van het geloof. En hoewel het gedicht over pasgeborenen lijkt te gaan (het badwater, het
verschonen, het zingen aan de rand van een donker ledikantje) denk ik dat het in essentie
over alle mensenkinderen gaat. Het is leeftijdloos. Het gaat over hen voor wie we
verantwoordelijkheid dragen, niet alleen binnen het eigen gezin, maar voor alle mensen die kwetsbaar zijn.
Volgens Van Leeuwen laat de Schepper aan ons de verantwoordelijkheid voor elkaar. “Wat
ons betreft is het goed”, zegt God in het boek Genesis, maar… jullie, de mensen dus, moeten het concreet waarmaken in het dagelijkse omgaan met elkaar.
De beelden die Van Leeuwen neerzet ontroeren. Met een baby op je arm voel je met je
ellenboog of het water niet te warm is, niet met je hand, want die kan wel tegen hitte. Je
moet dus voorzichtig zijn als je een (kostbaar) mens begeleidt of vast mag houden. Je moet
geduldig zijn (moeilijke woorden herhalen, tellen tot oneindig), invoelend zijn (zoals je zachtjes loopt om je kind niet wakker te maken) Je moet aanwezig zijn. Je moet er zijn voor de ander.
Het gedicht eindigt met het hekje voor het trapgat: het is zo’n gewoon alledaags beeld, een
hekje om te voorkomen dat je kind van de trap valt. Maar voor de dichteres schuilt in dat
simpele voorwerp de enorme verantwoordelijkheid die wij voor elkaar dragen. Met de zegen van de Schepper en in de lange traditie van het grote verbond mogen wij er voor elkaar en voor de wereld zijn, om voor de wereld te zorgen, om elkaar te behoeden, om te laten zien dat wij de verantwoordelijkheid die ons gegeven is waard zijn.
En dan gaat dus precies over die dingen die niet uitzonderlijk zijn, maar alledaags. Want juist in en door het alledaagse kleuren we de wereld. Ja, er zijn bijzondere situaties die een
klemmend beroep op ons, die ons voor scherpe keuzes stellen die maken dat we niet weg
kunnen kijken. Ook dat gebeurt op sommige momenten in een mensenleven. Maar vaker,
veel vaker, kabbelt ons leven voort. En misschien si dat wel het grootste gevaar: dat we ons
op die momenten niet realiseren hoe zeer we ook dan verantwoordelijk zijn. Hoezeer juist
de keuzes in ons dagelijks bestaan het verschil maken.
Wat doe je vandaag? Waar kies je voor met je gedrag? Als je in een winkel staat? Als je in de dagelijks omgang met elkaar oploopt tegen je eigen beperkingen of die van een ander? Als je de krant leest? Wat doe je dag in dag uit met dat kostbare leven van je? Waar heb je oog voor en waar loop je aan voorbij.
In de voorbereiding op deze dienst bladerde ik door de liedbundel waar we vandaag twee
liederen uitzingen. Deze is het. Altijd heb ik, haastig lezend, gedacht dat de titel van deze
bundel luidde: Zangen van Zoeken en Zin. Want dat doen we immers in de kerk: zin zoeken.
En nu voor het eerst las ik opeens wat er echt staat: Zangen van zoeken en zien. En het trof
me. Wat kan ik bezig zijn met de grote vragen naar zin, dacht ik, met de grote vragen en de
antwoorden die ik daarachter wil vinden. Maar is het niet gewoon dit: zoeken en dan zien
wat is. Het wonder in het alledaagse bestaan, de schoonheid van elk mens en de opdracht
die daaruit voortkomt om zuinig te zijn op al het goede, al het mooie, al het ware. En daar
verantwoordelijkheid voor te nemen. Juist in datgene wat elke dag weer gebeurt, weer mag
en weer moet. En wat wij met elkaar mogen vormgeven en dragen.
Het is aan ons. We mogen het niet afschuiven op een God, want die God heeft ons juist zo
geschapen dat wij er zelf de schouders onder kunnen zetten. En ook een ander mens, hoe
groot of groots ook, kan die verantwoordelijkheid niet van ons overnemen. Hoe graag we
ons ook optrekken aan anderen, hoe onzeker we soms ook zijn over onszelf, hoe zeer we
ook denken dat we bij de hand genomen moeten worden, het is ons hart geschreven en in
onze hand gelegd. Hier en nu mogen wij het waarmaken. Daartoe zijn wij op aard.
Zo klinkt het ook uit de evangelietekst van vandaag. Straks ben ik er niet meer, zo houdt
Jezus zijn leerlingen voor, en dan is het aan jullie. En ik vertrouw erop dat jullie het kunnen.
En eigenlijk is daar maar een ding bij nodig: Heb elkaar lief zoals ik jullie heb lief gehad.
Dat kan ik niet voor jullie doen. Maar het is wel te doen. En het is genoeg, want uiteindelijk vloeit alles daar uit voort.

Dat is niet zomaar iets, geen obligate uitspraak, dat blijkt uit het moment waarop Jezus deze uitspraak doet: aan de tafel van het laatste avondmaal, vlak nadat Judas de ruimte heeft verlaten. Zijn verraad hangt al in de lucht. Als lezer houd je als het ware je adem in. Je voeltwat er gaande is, waar het menselijkerwijs naar toe gaat en hoe Jezus daar niet voor wegloopt.
En in die spanning, de lucht zwanger van wantrouwen en teleurstelling, zegt Christus dan dit:

Heb elkaar lief in mijn spoor.

Jezus spreekt niet obligaat over wat licht is en lief, hij heeft het over liefde die weet heeft
van pijn, die de prijs kent van het offer en daarin toch overeind blijft. Het is de
bovenmenselijke liefde die juist ook voor mensen is weggelegd.
Heel veel van onze liefde is gelijk oversteken. Ik ben aardig voor jou zodat jij aardig bent voor mij. Hoeveel huishoudens en intermenselijke relaties zijn niet stiekem op dat principe gebaseerd: ik doe wat voor jou en dan moet jij wat voor mij doen. Daar houden we elkaar aan. En wanneer de relatie daar niet aan voldoet, haken wij regelmatig af.
Maar de liefde die Jezus ons voorleeft, is een liefde die afziet van zichzelf, die denkt aan de
ander en vanuit de ander en met het oog op de ander. Dat is de liefde die zich dienstbaar
maakt, geheel en al, zonder enige voorwaarde en zonder enig voorbehoud. Liefde als
uitgestrektheid naar de ander toe.
Dat waarmaken is onze opdracht, dat is onze verantwoordelijkheid: met die liefde naar de
wereld kijken die boven onszelf uitgaat, die zijn wortels heeft in empathie en ruimhartigheid, in vergeving en vertrouwen, in aandacht voor alle het kleine dat Gods schepping is. Juist ook op al die dagen die zomaar lijken te verglijden. Juist ook in de schijnbare sleur van alledag.
Want al die momenten samen waarop het lijkt alsof het niet zoveel uitmaakt wat we doen
en kiezen en zeggen, juist het geheel van onze dagelijkse handelingen, juist dat maakt met
elkaar het leven. En hier en nu is het aan ons, aan jou en mij en al die anderen die met ons
op deze mooie, kostbare aarde zijn.
De Duitse theoloog Bonhoeffer, die in de oorlog door de nazi’s is vermoord, zei het ooit zo:
“Wij moeten leren leven zonder een God die overal ingrijpt en zorgt dat alles goedkomt. Zo
zijn wij opgeroepen om met beide benen in deze wereld te staan en te werken aan
gerechtigheid in de wereld.”
En eenzelfde boodschap klinkt ons in deze tijd van het kerkelijk jaar, zo rond Hemelvaart,
tegemoet wanneer ons voorgehouden wordt: “Staar niet naar de hemel, maar kijk om je
heen, zie elkaar en richt je in liefde tot elkaar.”
Wij mogen ons bepaald weten bij het leven hier en nu, met alle hoogte- en dieptepunten en
vooral ook met de realiteit van alle dag, niet groots en meeslepend misschien, maar juist ook hier doet het ertoe. Het doet er toe hoe we met elkaar omgaan, het doet er toen hoe we
kijken en wat we zien, hoe we het leven genieten en waarderen en hoe er zijn voor anderen
met minder geluk dan wij. Leef het leven, in al het grote en in het kleine en ontdek zo hoe
het alledaagse betekenisvol wordt en is. In Christus’ naam en in zijn spoor, dat het spoor van liefde is.

Amen