Preek voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar

Preek voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar, 25 november 2018
(gelezen teksten: Genesis 3:19, Prediker 12: 1-8, Joel 3: 1 en 2)
Gemeente,
Dat het aardse leven eindig is, weten we allemaal al van jongs af aan. En dat is precies wat ons onderscheidt van andere levende wezens: het besef van onze sterfelijkheid. De mens kan zich voorstellen dat hij er op een gegeven moment niet meer is. Het dier is opgesloten in zijn eigen wereld. De mens heeft een bewustzijn, waardoor hij in staat is op zichzelf te reflecteren.

Dat het leven eindig is en dat we daar weet van hebben, dat hoort bij de menselijke bestaanswijze. Waarom dat zo is, daarover zijn in alle tijden en in alle windstreken verhalen verteld. Zo ook in de bijbel, in het boek Genesis. Het gaat hier om mythen, dus niet om wetenschappelijke beschrijvingen, maar om diepere wijsheid die wordt doorgegeven in de vorm van een verhaal.
Het gaat om een poging om woorden te geven aan wat – nog altijd – ons verstand te boven gaat: het precieze ontstaan van de wereld, het geheim van het leven, en ook – en dat is misschien nog wel het lastigste – het zoeken naar een antwoord op die altijd terugkerende vragen: waartoe zijn we op aarde, waarom moeten we sterven en wat draagt ons in dit bestaan? Leven we van en door toeval of is er zoiets als een bestemming? En zo ja, hoe ontdekken we die dan?

Hoe komt het, zo hebben mensen zich (met hun vermogen tot reflectie) altijd afgevraagd, dat het leven is zoals het is, dat er kwaad is in de wereld en dat ons bestaan eindig is?

En altijd weer zijn er dus verhalen verteld om een antwoord te geven op die vragen. En wij leven in onze traditie al eeuwenlang met de verhalen uit de bijbel, ook met dat verhaal uit Genesis. Een verhaal van een goede schepping, van een mens die als een god wil zijn, en
die daardoor het paradijs verliest. En die, na een leven vol moeiten en pijn, de
dood zal ontmoeten, onontkoombaar.

En al is het een verhaal inderdaad een mythe, er schuilen nog steeds dezelfde vragen achter die ons ook nu nog bezighouden. En dezelfde thema’s die nog altijd het leven van ons mensen kleuren: het verlangen naar een paradijs, naar een plek waar alles goed is, bijvoorbeeld. De worsteling met de eindigheid inderdaad. En ook met die kanten van het bestaan waarin de eindigheid zich al vast aan ons openbaart, in ons lichaam en onze geest.

En het is geen sinecure om daar mee te leven. Natuurlijk we denken er niet elk moment van de dag aan, en gelukkig maar. Maar van tijd tot tijd doet de eindigheid zich als een uitdaging aan ons voor, zoals het lied van Huub Oosterhuis zegt: “Hoe zullen wij volbrengen, wat door de eeuwen duren moet, een mens te zijn die sterven moet…”

Een mens te zijn die sterven moet. We weten het en als we geluk hebben komt de persoonlijke ervaring die daarbij hoort niet al te vroeg, maar voegt deze zich in de natuurlijk gang van het leven. Zoals Prediker beschrijft in de tekst die we net lazen, een tekst over de ouderdom. Beeldend wordt daarin het lichamelijk verval beschreven: er wordt verteld hoe onze ledematen aan kracht verliezen, onze ogen en oren achteruit gaan, hoe we meer en meer in onszelf keren en tenslotte klaar zijn om dood te gaan.

Het is een moeilijk proces en tegelijk, ik zei het al, mag je je gelukkig prijzen wanneer het zo gaat. Wanneer je langzaam maar zeker naar je sterven toegroeit en dan inderdaad je laatste adem uit blaast.
Maar we weten allemaal dat het niet altijd zo gaat. Mensen gaan dood voor hun tijd of andersom: mensen ervaren dat het hun tijd is, maar ze sterven nog niet. Of: die laatste fase is een lange lijdensweg. Zo divers als het leven is ook ons sterven en beide doen ze een beroep op ons vermogen om er mee te dealen.

Onlangs las ik in een rouwadvertentie de volgende regels van de dichter JC Bloem: “Men begint met het leven te aanvaarden en eindlijk aanvaardt men den dood.”

Ik heb ze uitgeknipt, die regels, omdat ik ze zo mooi en treffend vond en omdat ze mij aan het denken zetten: Het leven aanvaarden is in zekere zin net zo’n opgave als het aanvaarden van de dood. Een opgave ook, die niet alleen zwaar is, maar juist ook vreugdevol.

In de vorige dienst werd er een kind gedoopt en bij de doop zeggen we dan altijd: de doop is het leven aanvaarden als uit Gods hand. Het leven aanvaarden als uit Gods hand, dat betekent dat we het leven als een geschenk mogen zien.
Dat we de schoonheid mogen zien van alles, ook al is het hier geen paradijs. Het leven aanvaarden, daar begint alles mee. En juist ook als het over de eindigheid gaat, gaat het ten diepste toe vooral ook over het leven. Over betekenis geven, over zien wat is.

In dat kader is er een mooie legende bij dat verhaal uit Genesis 1 . Die legende vertelt dat, toen God tegen de man zei dat hij in het zweet zijn aanschijns zijn brood zou eten, deze tegen zijn vrouw zei: “Hoor je dat, vrouw, we krijgen toch brood.” En dat toen God tegen de vrouw zei dat ze met smart kinderen zou baren, de vrouw tegen haar man zei: “Hoor je dat man, we krijgen kinderen.”
Midden in die eindigheid is er brood, is er wijn, worden er kinderen geboren en opent zich steeds weer een nieuwe toekomst. Dat is ten diepste toe het verhaal van de bijbel: leven dat zich vernieuwt, een wereld waarin een belofte huist, waarin het leven nog altijd een geschenk kan zijn.

Dat wil niet zeggen dat het altijd gemakkelijk is. Het leven bestaat naast licht ook uit duister. En al kan het een niet zonder het ander, het vraagt wel om het juiste evenwicht om het leven inderdaad als een geschenk te kunnen ervaren en te aanvaarden. En misschien is dat ook wel het beste wat we elkaar kunnen wensen, zoals in het volgende verhaal gebeurt.

Het is een verhaal van een man die op een vliegveld staat, omdat hij drie dagen op zakenreis gaat. Hij voelt zich wat mistroostig, want hoewel hij nog niet eens weg is, mist hij zijn vrouw nu eigenlijk al. Afscheid nemen, daar heeft hij grote moeite mee, ook al is het maar voor even.
Terwijl hij daar staat ziet hij naast zich een oude man en een vrouw van in de veertig bij de gate staan. Ze omhelzen elkaar liefdevol en houden elkaar stevig vast. Dan zegt de man: ‘ik hou van jou, en ik wens je genoeg.” De vrouw antwoordt: “Ik hou ook van jou papa, en ik wens je genoeg.” Ze geven elkaar een kus en de vrouw loopt weg.
De man blijft achter, duidelijk geëmotioneerd en in tranen. Waarop de eerste man, die op zakenreis gaat, vraagt of hij misschien wat kan betekenen.

De oude man antwoordt: “Heb je ooit wel eens afscheid genomen van iemand voor de laatste keer? Dat je weet dat je elkaar nooit meer terug zal zien?”
“Jazeker,” zegt de andere man. “Maar waarom is dit afscheid van zojuist voor
altijd, als ik vragen mag?”
“Ik ben oud, en ik heb grote gezondheidsproblemen”, zegt de oude man. “ Mijn dochter woont te ver weg om me de komende weken te kunnen bezoeken. De waarheid is dat de volgende keer dat ze naar mij toe zal reizen, dat vanwege mijn begrafenis is.”
Het gesprek valt even stil. Dan vraagt de jongere man: “Ik hoorde dat jullie elkaar als laatste woorden ‘genoeg’ wensten. Wat bedoelde jullie daarmee, en wat betekent het?”
De oude man glimlachte en zei: “Dat is een familiegebruik, we zeggen dat al generaties lang tegen elkaar. Wanneer we iemand van wie we houden ‘genoeg’ wensen, bedoelen we dat we die ander voldoende goede dingen wensen om zware tijden te kunnen doorstaan. En genoeg zware tijden om de mooie momenten te kunnen waarderen. Want afscheid en verdriet zijn in ieder leven onvermijdelijk, maar het goede in het leven kan het draaglijker maken.” De oude man stond op en zei: “De hele wens gaat eigenlijk zo:
Ik wens je genoeg zon om een opgewekte houding te houden.
Ik wens je genoeg regen om de zon te waarderen.
Ik wens je genoeg geluk om je geest levend te laten zijn.
Ik wens je genoeg pijn om de kleine schoonheid van het leven beter te waarderen.
Ik wens je genoeg winst om je behoeften te bevredigen.
Ik wens je genoeg verlies om je bezittingen te waarderen.

En…ik wens je genoeg ‘hallo’s’ om het laatste afscheid te kunnen doorstaan.”
Toen liep de oude man weg, met tranen in zijn ogen.

Balans in het leven tussen donker en licht, wie dat zo ervaart is een gezegend mens. Maar vanuit de bijbel gezien is dat niet het hele verhaal. Omdat het bijbelse verhaal een verhaal is van hoop en bevrijding voor de hele wereld.
En ons dus ook altijd wil openen naar dat grote visioen, het Koninkrijk heet dat in het evangelie, het visioen, de droom van een wereld waarin het voor iedereen goed is, waar iedereen letterlijk en figuurlijk genoeg heeft.
Ons wordt een verhaal aangereikt dat zich verder uitstrekt dan ons eigen leven, een verhaal dat ons zicht geeft op wat groter is dan ons eigen aardse bestaan.
Je kunt bij die woorden: “verder dan ons eigen aardse bestaan” denken aan een leven – in welke vorm dan ook – na dit leven. Voor velen is dat een troostrijk vertrouwen.
Maar het heeft ook – en misschien wel allereerst – juist een heel aardse lading: het gaat om een visioen voor al het leven hier op aarde. En ik lees het ook als een bijbelse opdracht ons leven lang die droom vast te houden. Daarom koos ik voor vandaag ook die prachtige woorden van de profeet Joël: “Jullie zonen en dochters zullen profeteren, oude mensen zullen dromen dromen en jongeren zullen visoenen zien.”

En die tussenzin vind ik dan het allermooist: “oude mensen zullen dromen dromen.” Wat is het mooi wanneer je tot op het laatst je dromen vasthoudt en – hoe klein ook – blijft meebouwen aan dat Koninkrijk van God, die aarde waarop het goed wonen is voor alle mensen. Een droom die je niet meer zelf waar zult zien worden misschien, maar die toch de moeite waard is om van te leven.
Ik denk aan die oude woorden van Adriaan Roland Holst:
Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in den oogst geloven
waarvoor ik dien…

En de Joodse denker Martin Buber zei iets soortgelijks toen hij sprak over het geloof in dat wat achter de bergen ligt. Hij schreef daar over: De grote dingen in de wereld zijn altijd tot stand gebracht door het geloven in dat, wat we nu en hier nog niet zagen, maar waarvan we zeker wisten het eenmaal te zullen bereiken en waarvoor we streden. De kleine dikke dreumes, die op wankele wiebelende beentjes tracht te staan, helemaal alleen, om naar de verre moeder die op een meter afstand van hem staat, heen te wandelen, scharrelt op haar toe in hetzelfde geloof aan het schijnbaar onmogelijke, dat Columbus de oceaan deed overtrekken, toen niemand geloofde aan dat, wat “achter de bergen lag”.
Wie zich hier beperkt tot al het voor de hand liggende dichtbije, is spoedig oud en versleten. Maar wie de spanning van de verten in zich houdt en de glans van de geestdrift en het geloof in al het onmogelijke, blijft de jonge levende mens; al dooft de glans van zijn haren, nooit die van zijn ogen. Want hij hoort het “ruisen Zijner voeten” door zijn leven heen.

Wat betekent het te leven in een eindig bestaan en daar weet van te hebben?
Het vraagt van ons de kunst het sterven te aanvaarden, maar misschien nog wel meer om het leven te aanvaarden, om het goede in het leven te blijven zien en elkaar het goede te doen.
En om daarnaast of daarboven gedreven te blijven, te blijven dromen en te blijven meebouwen aan het Koninkrijk. Zoals de kathedralenbouwers in de Middeleeuwen, die hun werk deden zonder het eindresultaat te zien, maar vol vertrouwen meebouwden aan monumenten van schoonheid, troost en geloof.
Zo mogen wij boven het individuele en het tijdelijke uit toch ook altijd gericht blijven op het grotere verhaal, op de droom die uit mag komen. We mogen in de tijd dat wij op aarde zijn onze talenten inzetten, onze liefde geven, onze dromen nastreven en terwijl we dat doen mogen we onszelf en elkaar genoeg wensen. Genoeg om van te leven zolang we er nog zijn, in dit mooie eindige aardse bestaan.

Amen.