Preek oecumenische dienst september 2019

Vredesweek. Gelezen tekst: 1 Samuel 17: 31 -40

Zusters en broeders in Jezus Christus,

Een aantal jaar geleden verscheen als geschenk bij de kinderboekenweek een boekje met als titel “Bert en Bart redden de wereld”. Het was een verhaal waar mijn zoontje later van smulde.
De hoofdpersonen werden middels de flaptekst als volgt geïntroduceerd: “Bert en Bart waren jongens. Ze hielden van ruimtewezens. Ze hielden van schieten. En ze hielden van schieten op ruimtewezens die terugschoten.”
De schrijver van het verhaal, die stereotypen niet schuwt, vertelt hoe de moeder van de jongens wanhopig probeert andere interesses in hen los te maken: dansen, vlindertje spelen en bomen knuffelen. Maar u begrijpt, ze is met haar boodschap bij de jongens aan het verkeerde adres. Die willen knallen, ook al is het ‘doen alsof’ en heeft het boek een verantwoord einde, want het blijft natuurlijk wel boekenweekverantwoord 😉

Ik moest aan dit boekje denken vanwege de op het eerste gezicht toch wat wonderlijke combinatie van de vredesweek en dat verhaal van David en Goliath. Want: is het niet passender om tijdens deze week een Bijbeltekst te laten horen over liefde, of barmhartigheid of over zwaarden die worden omgesmeed tot ploegscharen?! Er is toch al genoeg strijd in onze wereld, kunnen we op deze zondag voor de verandering niet opademen met dansen, vlindertje spelen en knuffelen?

Tegelijk zou je ook kunnen zeggen: juist als je wilt spreken over vrede, en over verbinden, dan moet je dat doen vanuit de realiteit.
En de realiteit van onze wereld is nu eenmaal dat het lang niet altijd rozengeur en maneschijn is hier. Dat we moeilijke keuzes moeten maken, dat we meegesleept worden door dingen die niet altijd goed voor ons zijn en dat we vaker dan we zouden wensen niet naast maar tegenover elkaar staan.

Het is die realiteit van waaruit ook de Bijbelse verhalen ons tegemoet komen. En ik denk dat dat ook een van de redenen is dat die oude woorden ons nog altijd zoveel te zeggen hebben.
De verhalen van toen zijn geworteld in het concrete leven. Het leven dat mooi is en liefdevol, maar dat ook dikwijls gekleurd wordt door de donkere kanten van de wereld en ons mens-zijn.
En de bijbel verbloemt die kanten niet, maar geeft ons inzichten die ons kunnen helpen om in deze mooie, maar lastige wereld de juiste keuzes te maken en onszelf misschien iets beter te leren kennen.

Zo ook het verhaal van David en Goliath, waar ik vanmorgen een paar dingen uit wil lichten.

Het begin van het verhaal vertelt ons hoe Goliath, in de oorlog tussen de Filistijnen en de Israëlieten, zijn tegenstanders uitdaagt. Veertig dagen lang klinkt zijn jennende en superieure stem over de vlakte. Het volk van God wordt door hem dag in dag uit vernederd in de hoop dat iemand zo gek is de wapens tegen hem op te nemen. Maar blijkbaar durft niemand het aan. Durft niemand hem tegemoet te gaan en tegen hem in het strijdperk  te treden.

Tot David op het toneel verschijnt. Tegen alle verwachting in, een onervaren jongen is hij immers nog, doet hij een stap naar voren waar niemand anders die moed heeft.

En zo stelt dit deel van het verhaal op zeker niveau ook ons de vraag naar onze verantwoordelijkheid in een wereld die verre van ideaal is. Wanneer durven wij het aan om te doen war gedaan moet worden? Wanneer voelen wij ons aangesproken.

En het gaat dan natuurlijk niet alleen over oorlogssituaties, waar vaak heel prangend van ons wordt gevraagd keuzes te maken.
Wie hier of elders op de wereld een oorlog meemaakten zullen dat herkennen, hoe het er dan op aankomt. Hoe het dan gaat om moed, om keuzes voor of tegen, om niet langs de zijlijn te blijven staan maar kleur te bekennen.
Juist ook in het gewone leven komt het vaker voor dan we denken dat het er toe doet wat wij doen en zijn er momenten waarop ons de vraag wordt gesteld naar onze verantwoordelijkheid.
Als er iets gebeurt op straat misschien, of heel gewoon bij alle keuzes die we maken wanneer we onze boodschappen doen, onze kleding kopen, wanneer we kiezen hoe we reizen. Wanneer het gaat om onze dagelijkse omgang met elkaar.
Of wanneer er mensen gezocht worden voor een taak, die gedaan moet worden, maar misschien niet het leukste werk is.

Wanneer stappen wij naar voren? 

En het mooie van dit verhaal vind ik ook dat het laat zien dat iemand die misschien helemaal niet geschikt lijkt voor een bepaalde taak, iemand die bang is of onzeker of onervaren, vaak veel meer kan dan hij of zij zelf denkt te kunnen, of dan de omgeving dacht dat mogelijk was.
Dat geldt voor David in dit verhaal, maar ook voor veel andere Bijbelse figuren. Denk bijvoorbeeld maar aan Mozes. Die dacht geen leiderschapskwaliteiten te hebben, maar die – door God geroepen en door Hem gedragena– toch naar voren stepte en deed wat er te doen viel.

En ik denk dan ook aan de bekende uitspraak van Martin Luther King: “Voor het slagen van het kwaad is niets anders nodig dan dat goede mensen niets doen. Als goede mensen niets anders doen dan voor hun gezinsleden zorgen, hun sport beoefenen, televisie kijken…., kunnen kwade krachten ongestoord hun onzalige praktijken uitvoeren”

Wanneer stappen wij naar voren? Wat doen we, wanneer we (verwacht of onverwacht) een Goliath zien staan?
Wanneer voelen we de verantwoordelijkheid om de strijd aan te gaan met het kwaad, met de onverschilligheid, met wat onze wereld ontwricht en wat ongelijkheid en onrecht in stand houdt?

En vervolgens stelt dit Bijbelverhaal mij ook de vraag: Als je dan je verantwoordelijkheid neemt en die strijd inderdaad aangaat, hoe doe je dat dan?

En dan komen we bij wat voor mij misschien wel het mooiste en meest veelzeggende deel van dit verhaal is. Het deel waarin David ervoor bedankt om het gevecht aan te gaan in het harnas van Saul.

Koning Saul, die zich niet erg gemakkelijk lijkt te voelen dat deze man, een jongen nog, zich opwerpt om de reus, symbool van het kwaad, tegemoet te treden, biedt hem zijn eigen harnas aan, en zijn eigen helm.
Het lijkt een aardig gebaar, maar in feite schuift Saul natuurlijk zijn verantwoordelijkheden af. Hij laat een ander het risico lopen en probeert dat af te kopen door zijn gevechtstenue aan David aan te bieden. 

Maar David is wijzer dan dat. Hij voelt hoe het harnas van de bange koning hem niet past. Hij kan er niet mee uit de voeten.

In dit kleine stukje van dit verhaal zit een diepe wijsheid verborgen. Het harnas van een ander past ons niet. Dat is zo waar, letterlijk, maar zeker ook figuurlijk.
Want je leven aangaan alsof je een ander bent, dat gaat niet. Uiteindelijk kom je dan niet vooruit. Het lijkt soms fijn: om de kwaliteiten van een ander te hebben, of zijn of haar persoonlijkheid, om in de schoenen van een ander te staan.
Maar dit verhaal vertelt ons: wees maar jezelf. Jij bent met jouw karakter, jouw mogelijkheden en onmogelijkheden, met jouw kracht en beperkingen hier op aarde.
En daarmee mag je het goede te doen. Mag je verbindingen maken met elkaar. Mag je naar voren treden om te doen wat jij kunt doen. En dat is vaak zoveel meer dan je denkt. 

En daarbij raakt het me ook dat het juist een harnas is waar David voor bedankt, zodat hij ongepantserd zijn taak tegemoet gaat.
Ik denk dat wij veel te vaak geharnast in het leven staan. Onszelf verstoppen achter zogenoemde stoerheid of hardheid. Ons laten inblikken in verwachtingen of gewoontes.
En zo, als we niet oppassen, zelf verdwijnen achter schone schijn, of juist achter afwerend gedrag.
Ik lees in dit verhaal ook de oproep om onszelf te zijn, om de wereld tegemoet te treden zonder ons te verschuilen achter een harnas. Om te laten zien dat we ook kwetsbaar zijn, naast alle kracht die we hebben.
Want juist als kwetsbare mensen kunnen we elkaar herkennen en werkelijk ontmoeten. Kunnen we verschillen overbruggen. Hoeven we ons niet constant te bewijzen, maar kunnen we mens zijn met elkaar. Zonder mee te doen aan alle spelletjes die vaak gespeeld worden in de wereld, zonder boven onze macht te opereren, zonder onszelf geweld aan te doen. Maar levend in vrede met onszelf en met de ander.

Zoals het mooie Joodse verhaal ons voorhoudt, dat over Rabbi Soesja vertelt die zijn leerlingen eens meegaf:
“Als rabbi Soesja aan de hemelpoort komt, dan zal God hem niet vragen: rabbi Soesja, waarom ben je niet als Abraham geweest?
En God zal hem ook niet vragen: rabbi Soesja, waarom ben je niet als Mozes geweest?
Maar God zal vragen: Rabbi Soesja, waarom ben je niet meer als rabbi Soesja geweest?”

God heeft ons allemaal verschillend geschapen en hij heeft ons geschapen om samen te leven. Die twee dingen bij elkaar maken het een behoorlijke uitdaging, want omgaan met verschillen leidt gemakkelijk tot onbegrip, verwijdering of zelfs conflict.

Maar wie goed kijkt, ziet in al die verschillen juist de rijkdom van de schepping. Ik hoef niet alles te kunnen en niet alles alleen te doen, want we hebben elkaar.
En als we elkaar zonder harnas tegemoet durven treden, als we elkaar zien als kinderen van God met al onze verschillen en daar een samenleving van vrede op bouwen, dan komt langzaam dat visioen in zicht, die wereld van liefde en gerechtigheid, waar mensen in Gods naam het goede leven mogen ervaren, elk op zijn of haar manier. En zo komen dan toch nog die vlinders binnenfladderen.

Amen.