Preek bij Genesis 3:21 Psalm 8 en de zaligsprekingen

PREEK BIJ GENESIS 3:21 PSALM 8 EN DE ZALIGSPREKINGEN
(naar een actualisering van Nadia Bolz) op 3 februari 2019.

Gezegend zijn zij…
(Zaligsprekingen van nu, Nadia Bolz-Weber, afgewisseld met lied 844)

Gezegend zij die twijfelen, die niet zeker weten,
Gezegend de mensen die nog verrast kunnen worden.
Gezegend zij die niets te geven hebben en alleen met open handen kunnen leven.
Gezegend zij die de dood hebben leren kennen van dichtbij,
Gezegend zij wier tranen een oceaan kunnen vullen,
Zij die zo hebben liefgehad dat ze weten hoe verlies voelt.

[Vertaling: Dat wij zien dat Christus ons met liefde aankijkt, dat wij anderen mogen zien met de ogen van zijn liefde.]

Gezegend zij die niet meer de luxe hebben om de dingen voor vanzelfsprekend te nemen.
Gezegend zij die zichzelf bij elkaar moeten houden omdat anderen op hen bouwen.
Gezegend zij die niet gezien worden, die alleen staan;
de schoonmakers in de kantoren, de magazijnmedewerkers, de mensen aan de lopende band.
Gezegend zij die niet indrukwekkend zijn, zij die geen stem hebben.
Gezegend zij voor wie het leven zwaar is en voor wie Jezus er wilde zijn.

Zingen: May we see Christ’s loving face, may we be an icon of his grace

Gezegend de ongedocumenteerden, gezegend zij die het moeten doen zonder lobbyisten,
Gezegend zij die moeilijke economische beslissingen moeten nemen ten gunste van
kwetsbare mensen,
Gezegend zij met een burn-out, mensen op zoek naar wat er toe doet.
Gezegend de kinderen die tussen de pester en de gepeste in gaan staan,
De mensen die niet zwijgen op straat.

Zingen: May we see Christ’s loving face, may we be an icon of his grace.

Gezegend zij die ons vergeven hebben toen we het niet verdienden.
Gezegend die barmhartig zijn, zij die het Woord hebben gehoord en het waar maken.
Jullie brengen de hemel onder ons, in Christus zijn jullie gezegend.

Zingen: May we see Christ’s loving face, may we be an icon of his grace.

[Bovenstaande is een bewerkte vertaling van Blessed Are….]

PREEK

Tegenwoordig ben ik met enige regelmaat in het centrum van Rotterdam. En
altijd als ik vanaf het station langs mijn vaste route naar de binnenstad wandel,
valt mijn oog op de prachtige muurschildering waarop de schrijver Multatuli
staat afgebeeld. Boven het portret van de auteur, dat al in de jaren 70 door
Mathieu Ficherou geschilderd werd en nu al bijna een halve eeuw oud is, staat
het bekendste citaat van de schrijver: “Van de maan af gezien zijn we allen
even groot.”

Van de maan af gezien zijn we allen even groot. Woorden waarmee Multatuli
het verschil tussen mensen, waar wij ons zo vaak door laten leiden, relativeert.
Je bent in essentie niet belangrijker dan een ander, kun je erin horen. Of juist
andersom: jij bent net zo veel waard als de mensen om je heen. Het is maar net
met welk perspectief je kijkt.

Het zal een afwijking van mij als theoloog zijn, maar als ik onder de wijze
woorden van de schrijver door loop, moet ik ook altijd denken aan de tekst van
psalm 8: “Wat is de mens dat Gij hem gedenkt, het mensenkind, dat Gij naar
Hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt en hem met
heerlijkheid en luister gekroond”, zo bezingt de psalmdichter de wonderlijke
positie van de mens. Groot en klein tegelijk. Let wel: niet de één groot en de
ander klein, nee, we zijn het allemaal tegelijk: een stofje in het heelal en
tegelijk een wezen dat door de Wezer met onvoorstelbare mogelijkheden
bekleed is.

De twee kanten van de mens. In de bijbel en in de joodse traditie komt die
dubbelheid ook steeds weer terug. Zo is er een chassidische uitspraak die als
volgt klinkt: Eigenlijk zou ieder mens met twee zinnen op zak moeten lopen. De
ene zin zegt: “Je bent slechts stof en as” en de tweede luidt: “Voor jou, mens, is
de hele wereld geschapen.”

En ook uit de naamgeving van de eerste mensen in het bijbelboek Genesis
komt iets vergelijkbaars naar voren. Dat de naam Adam ‘mens’ betekent, dat
wist u misschien wel. Maar misschien wist u niet van een kleinzoon van hem,
het kind van zijn zoon Set, die geboren is na de dood van Abel. Deze Set verwekt op zijn beurt een zoon die hij Enosj noemt: mensje, betekent dat. Net iets anders dus dan de naam Adam.
Al aan het begin van de bijbelse geschiedenis komen ze zo naar voren, die twee
kanten van ons bestaan. We leren Adam kennen, die in het centrum van de
Schepping staat, die de dieren een naam mag geven en over hen mag heersen.
Maar vrijwel direct daarna ontmoeten we Enosj, de kleine mens in al zijn
kwetsbaarheid, het mensje. In al onze grootheid zijn we ook allemaal tegelijk
Enosj of Enosja: het mensje. Kwetsbaar en behoeftig. Denk maar aan de
woorden van onze Goudse dichter Leo Vroman: God behoede de mens en geve
hem een zoen, er is verder niets met hem te doen.

En zo komen we bij het thema van vandaag: wat betekent het voor ons, voor
ons zelf verstaan, maar misschien vooral voor onze omgang met elkaar, dat we
allemaal evenzeer mens zijn, even klein of even groot, net waar je op dat
moment de nadruk op legt. Allemaal mens en stuk voor stuk mensje, een
wonder om tegenop te kijken en een zacht wezen om te behoeden en
voorzichtig een zoen te geven.
Ik las uit het Oude Testament ook een gedeelte uit het tweede
Scheppingsverhaal, één van de ontroerendste zinnetjes uit de bijbel vind ik:
“God, de Heer, maakte voor de mens en zijn vrouw, kleren van dierenvellen en
trok hun die aan.”
Je kunt de zorg van de Eeuwige om zijn mensen nauwelijks treffender
verbeelden dan zo. Het is een zeldzaam teder beeld van een God die zich om
zijn schepselen bekommert, die weet wat zij nodig hebben en daar zorg voor
draagt.

Ik dacht aan dit zinnetje door het gedeelte uit Psalm 8 waar de prachtige
hemel, het uitspansel, de beschermende laag om onze aarde in het
wereldbeeld van toen, het werk van Gods vingers wordt genoemd. En ook dat
roept bij mij de associatie van het tedere op. Van aandacht en zorg.

De schepping en dan daarin bij uitstek de mens, zo groot en klein als zij is,
hebben de aandacht en de tederheid van God, de nabijheid en de milde blik
van de Eeuwige.
En als wij nu als mensen evenbeeld van God worden genoemd, zijn we dan niet
vooral ook daartoe geroepen: om teder te zijn voor elkaar, om zorgvuldig om te
gaan met elkaars naaktheid, letterlijk en zeker ook figuurlijk, om het mensje in
de mens te zien. En om ons niet boven de ander te verheffen, want wie wijs is
ziet dat we allen even groot zijn.

Maar als we eerlijk zijn kunnen we niet anders dan toegeven dat dat niet onze
sterkste kant is. Wij hebben als mensen een samenleving, een wereld,
gecreëerd die niet gebaseerd is op gelijkwaardigheid, maar die bestaat uit
winnaars en verliezers.
Niet de tederheid, maar de hardheid is vaak het uitgangspunt van ons
handelen. Wij lijken ze uit elkaar te hebben gehaald: de mens en het mensje.
Met het gevolg dat Adam Enosj onder de voet loopt. Dat de zwakken het
onderspit delven en we de zwakte in onszelf dikwijls ontkennen of verstoppen.

En dat is niet iets van vandaag of gisteren, het lijkt van alle tijden te zijn. En het
is precies ook die levensinstelling die Jezus, het gelaat van God op onze aarde,
telkens weer aan de kaak stelt. Het is precies die kijk op de wereld die hij
probeerde te bestrijden door ons een ander perspectief, een andere blikrichting voor te houden. Hij deed dat door het leven dat hij leefde, door de
dood die hij stierf en die uitliep op het wonder van Pasen, maar hij deed het
ook door de woorden die hij sprak. En misschien zijn de woorden die wij
kennen als de Bergrede daar wel het beste voorbeeld van.

In die tekst, waarvan de zaligsprekingen niet voor niets de opmaat vormen,
wordt ons een alternatief voorgehouden voor de wereld zoals wij die kennen
en steeds weer herscheppen.
Of nee, geen alternatief, maar misschien eerder: de enige werkelijk houdbare
manier van leven en kijken wordt ons hier voorgespiegeld, dit is het spoor dat
in Gods naam ten leven leidt. Een weg van compassie, van moed, van wat niet
vanzelf spreekt, maar ons wel ten diepste toe aanspreekt als mens, als
oogappel van Gods tedere liefde.

Het is een tekst die ons anders leert kijken. Waar wij als maatschappij de sterke
mens, de gepantserde, de maatschappelijk succesvolle, feliciteren, daar prijst
Jezus de kleine mens gelukkig.
Het lied over geluk worden de zaligsprekingen ook wel genoemd, en dat is niet
zo gek bedacht want deze tekst stelt het ons de vraag naar geluk.
En dat is een andere vraag dan de vraag naar succes. Het is ook een andere
vraag dan de vraag naar welbevinden. Het gaat hier om de diepere laag van het
mens-zijn.
In de oorspronkelijke tekst, u moet het thuis als u wilt maar eens na lezen,
worden de hoorders op het spoor gezet van een leven in het teken van het
Koninkrijk. Zij die zich niet neerleggen bij de status quo worden gelukkig
geprezen, hoe zwaar hun bestaan soms ook zal zijn. Maar zij zijn de enigen die
tot de kern komen en die zo bij zichzelf en bij God thuis raken.

Door deze woorden uit het evangelie wordt onze blikrichting veranderd. We
worden uitgedaagd, uitgenodigd, om niet allereerst en allermeest te kijken
naar wie de aandacht sowieso al naar zich toetrekken. Nee, Jezus vraagt ons
met hem mee te kijken naar wie zich gewoonlijk buiten het centrum van de
aandacht bevinden. Omdat we hen zomaar over het hoofd zien of omdat we
liever niet met hen geconfronteerd worden. En als we dan met Christus
meekijken, zien we geen tragische figuren die alleen beklaagd moeten worden,
nee, dan zien we mensen van God, naar wie ons hart mag uitgaan, die ten
diepste toe zijn zoals wij en die onze tederheid nodig hebben, zoals wij zelf
verlangen naar tederheid.

Het staat er zo treffend in het gedicht van Anthonie Donker. Winterdag heet
het ook nog eens, alsof het voor nu gemaakt is:

“Geef aan de meeuwen brood, de orgelman geef centen,
en val maar niemand hard, zo goed en kwaad het gaat.
Want ieder draagt verdriet en zorg in zijn gelaat
en in geen mensenhart daalt ieder jaar een lente.

Zij die maar alledag dezelfde deuntjes draaien,
muziek en zonder jas, muziek, en nat en koud,
en zij die schreeuwend over zwarte grachten waaien –
de meeuwen willen vis, de orgelman wil goud.

Geef dan maar koper toch, en geef de meeuwen brood,
en val maar niemand hard want ieder komt tekort.
Elk heeft een klein bezit dat aldoor kleiner wordt,
de dwaze hoop in ’t hart blijft altijd even groot.”

En val maar niemand hard, zo goed en kwaad als het gaat, want ieder draagt
verdriet en zorg in zijn gelaat en in geen mensenhart daalt ieder jaar een lente…

Ik heb het wel vaker verteld, dat ik telkens weer ontroerd wordt door een
bepaalde zin uit het Nieuwe Testament en misschien onthult die zin ook wel
ten diepste toe steeds weer mijn roeping, om dat grote woord toch maar eens
te gebruiken: het is de zin die vertelt hoe Jezus, kijkend naar de schare, met
ontferming wordt bewogen, want zij zijn als schapen die geen herder hebben.

Wij allemaal kunnen, zo vermoed ik, bij tijd en wijle verdwaald zijn, niet meer
zien waar we naar toe gaan. Wij allemaal dragen verdriet en zorg in ons gelaat.
De één meer aan de oppervlakte dan de ander. En de ene mens is er ook beter
tegen bestand dan de ander. Maar allemaal dragen we onder ons pantser een
ziel die ontferming nodig heeft en liefde. En juist naar die mensen die dat het
allermeest nodig hebben, ziet Jezus om. In zijn liefdevolle blik zijn juist zij
gezegend.
En dat klinkt ook ons vandaag tegemoet, uit het evangelie en ook uit die
Zaligsprekingen: dat God ons ziet staan en tegen ons allemaal zegt dat we er
mogen zijn, sterker nog: hij wil dat wij er zijn, voor ons, en voor al die andere
mensen, is de wereld geschapen, hoe klein we ook zijn, daarin zijn we groot. E
n dan klinkt naar ons de vraag elkaar ook zo te zien: met de ogen van zijn
liefde.

Ik las vandaag een bewerking, een actualisering, van de Zaligsprekingen. Het
zijn woorden van compassie, maar – en ik denk dat dat precies is wat Jezus ook
voorstond – het is ook (en vooral) een tekst die ons anders laat kijken: die de mensen, ook
als ze niet succesvol zijn volgens onze normen, niet alleen ziet als
meelijwekkende wezens, maar als mensen zoals alle anderen, sterker nog als
mensen die zich gezegend mogen weten omdat zij bij God op de eerste plaats
komen.

Het is een zaligverklaring van die mensen waar de wereld – toen en nu – niet
zoveel tijd voor lijkt te hebben: mensen met pijn, mensen die werken voor
vrede in plaats van winst, mensen die vergeven in plaats van vergelden,
mensen die hun pantser – uit vrije wil of uit bittere noodzaak – hebben afgelegd
en in alle kwetsbaarheid in de wereld staan.

Met zijn woorden zegende Jezus de mensen om hem heen die misschien nog
nooit een zegen hadden ontvangen, hij sprak juist die mensen met tederheid
aan die in de wereld de klappen opvangen en hij zag hen staan aan wie
anderen achteloos voorbij liepen.
En zo zegt hij ook tegen jou en mij: je bent een mens, je verdient genade en
tederheid, je mag blij zijn met wie je bent en als je jezelf kunt laten zien zoals je
bent, ben je te feliciteren, ook als het niet makkelijk is voor je, omdat de
omgeving je stoere kant of je succesvolle kant wil zien, omdat je bang bent,
omdat de wereld je klein gemaakt heeft. Maar je bent net zo groot als al die
anderen, want ook jij bent een kind van God.

En door zijn manier van kijken, van leven, van spreken, vraagt Jezus ons
hetzelfde te doen: met de ogen van zijn liefde te kijken. De grootsheid en de
kwetsbaarheid van elkaar en onszelf te zien en te waarderen.

En val maar niemand hard, want iedere komt tekort,
Elk heeft een klein bezit dat almaar kleiner wordt,
De dwaze hoop in ’t hart blijft altijd even groot.

Het zou haast een bijbels gedicht kunnen zijn, dat ons vertelt dat we allemaal
liefde en genade nodig hebben, dat we stof zijn en dat we wat we verzamelen
niet mee kunnen nemen, maar dat er iets is dat daar bovenuit gaat: een hoop
die voor de wereld misschien dwaas is, maar die in ons hart en onze ziel gelegd
is en waar we uiteindelijk van leven en mogen blijven leven: het geloof dat we
als kleine mensen door God gewild zijn, dat we in zijn ogen groot zijn,
evenbeeld van Hem, dat het goed is dat we er zijn, dat we nooit verloren gaan,
hoe diep we ook vallen en dat we elkaar met dezelfde tederheid tegemoet
mogen treden als waarmee Christus ons in Gods naam tegemoet treedt.

Amen.