Preek BIDDEN, 13 september 2020

PREEK BIDDEN, bij Filippinzen 4: 6 en 7, Mattheus 7:7 en dit gedicht van Joy
Harjo:

Joy Harjo – Eagle Poem
To pray you open your whole self
To sky, to earth, to sun, to moon
To one whole voice that is you.
And know there is more
That you can’t see, can’t hear;
Can’t know except in moments
Steadily growing, and in languages
That aren’t always sound but other
Circles of motion.
Like eagle that Sunday morning
Over Salt River. Circled in blue sky
In wind, swept our hearts clean
With sacred wings.
We see you, see ourselves and know
That we must take the utmost care
And kindness in all things.
Breathe in, knowing we are made of
All this, and breathe, knowing
We are truly blessed because we
Were born, and die soon within a
True circle of motion,
Like eagle rounding out the morning
Inside us.
We pray that it will be done
In beauty.
In beauty.

Vertaling Joy Harjo – Adelaarsgedicht

Open om te bidden jezelf volledig,
Open je voor hemel en aarde, voor zon en voor maan,
Voor de stem die jou vormt, die jou maakt wie je bent.
Open jezelf en weet: er is altijd meer,
Zoveel dat je niet ziet, niet hoort,
Niet kennen kunt.
Behalve soms op momenten,
Momenten van langzame groei,
In talen die meer omvatten dan het woord,
Die in beweging klinken.
Zoals toen je die adelaar zag
Op zondagmorgen boven Salt River,
Zoals hij daar in blauwe lucht rondging,
Suizend je hart schoonwaaide
Met zijn ontzagwekkende vleugels.
Wij zien jou, zien onszelf ook, en weten dan:
Alles verdient onze zorg
en wij zijn groepen tot zachtheid.
Adem in en besef
Wij komen hieruit voort, uit alles.
Adem
Wetend hoe gezegend wij zijn
Met dit leven,
Met ons sterven, in de cirkelgang van bestaan en verzinken,
Zoals adelaar in ons de ochtend compleet maakt.
Zo bidden wij dat het gedaan zal zijn
In schoonheid.
In schoonheid.

Ooit vroeg een van mijn kinderen het aan mij: “Waarom bidden we eigenlijk, mama, als het toch niet helpt?” Het was in de tijd dat iemand die we kenden ernstig ziek was en niet meer beter zou worden, terwijl er door veel mensen hartstochtelijk voor haar gebeden werd.
Nu hadden ze al wel geleerd dat bidden iets anders is dan een verlanglijstje naar God sturen, maar dit ging nog een laag dieper. Het riep de veel omvattender twijfel op naar de zin van bidden. En die vraag speelt natuurlijk niet alleen bij kinderen. Ook volwassenen worstelen er mee. Het gebed is een belangrijk deel van het geloof, in de kerk en ook bij mensen individueel. In de vorm van het ritueel in een dienst of aan tafel bijvoorbeeld.
Of gewoon spontaan, op momenten dat er iets van een gebed in je opwelt, dat je je – bij wijze van spreken – tussen de bedrijven door even tot God richt. En aan de andere kant worstelen veel mensen met het gebed, weten we soms niet hoe we moeten bidden en wat we nu precies doen wanneer we bidden.
En dan helpt het niet dat er in de bijbel ook nog teksten over bidden staan die de verwarring soms alleen maar groter maken. Zo staan er in Mattheus 7 de overbekende woorden: “Bid en u zal gegeven worden.” Een uitspraak van Jezus, waar ik op vastloop als ik de woorden te letterlijk neem. Met dat soort bidden heb ik moeite. Het roept het beeld op van een Almachtige God die aan alle touwtjes trekt. En van een kerkelijke leer die zegt:
“Als je niet krijgt waar je voor bidt, dan ben je niet gelovig genoeg of dan zal je wel niet genoeg gebeden hebben.” Dat is een onbarmhartige boodschap. Alsof het aan ons ligt wanneer we niet beter worden, of wanneer we niet op kunnen tegen de zware kanten van het bestaan.
Terwijl als er iemand barmhartig is en ons accepteert zoals we zijn, dan is het God wel. Die is immers liefde, zo geloven we. “Bid en u zult gegeven worden.” Het lijkt ook wel of daarmee een levenshouding gestimuleerd wordt waarin geloven hetzelfde is als vragen. En
waarin God de dingen voor ons op moet lossen. Bidden wordt dan, heel kort door de bocht: “God, ik heb last van dit of dat. Doe er alstublieft iets aan.”

Ik hoef u niet te vertellen dat dat geen bidden is. Dat weet u zelf ook wel. Ik weet het ook, maar toch worstel ik er soms nog steeds mee. Allereerst omdat ik zoek naar wat bidden dan wel is. Maar ook omdat er best dingen in mijn leven en in de wereld zijn waarvan ik graag zou willen dat God die voor mij, voor ons, op zou lossen. Want mij lukt het niet. Al zou ik het, als ik eerlijk ben het misschien nog wel liever zelf op kunnen lossen en daar trots op kunnen zijn.
Het hielp mij toen ik in een meditatie woorden las van Christopher Jamison, een benedictijner monnik in Engeland. Hij schrijft in zijn boek ‘Gelukslessen van een abt’ onder andere over onze wens om als mensen alles in de hand te hebben.
Over de mens die graag denkt: ‘Ik kan het zelf wel.’ Maar wanneer die gedachte onze grondhouding wordt, dan kan het niet anders of we raken gefrustreerd en teleurgesteld. Of we vertillen ons aan de dingen om we geen anderen toelaten die ons mee helpen ons leven te dragen.
En deze abt schrijft dan in zijn boek: ‘Wat wij moeilijk kunnen aanvaarden van het menselijk bestaan is dat wij kwetsbaar zijn.’ Hij is niet de enige die dat zegt natuurlijk, ook door hedendaagse psychiaters als Dirk de Wachter bijvoorbeeld, worden we daar steeds weer op gewezen.
Maar wat ik in deze context verrassend vind, is dat Jamison hier een link legt met bidden. Hij stelt dat bidden ook daarom belangrijk is, omdat de biddende mens zich door het gebed leert zich tot die kwetsbaarheid te verhouden Door te benoemen wat je mist, wat je niet zelf voor elkaar krijgt, leer je onder ogen te zien dat jij je leven niet zelf maakt, maar dat je hier en daar hulp nodig hebt om het aan te kunnen. Bidden helpt je ook om je af te vragen en duidelijk te krijgen wat je nodig hebt in jouw concrete situatie. Door te formuleren waar je mee worstelt, waar je naar verlangt, wat je pijn doet, vallen de dingen in je leven soms toch opeens op hun plaats.
Liefde, kracht, moed … Wanneer je daarom vraagt, daarom bidt, erken je tegelijk je eigen zwakheid, je kwetsbaarheid.
Niet jíj maakt je leven; althans nooit helemaal. Er is veel wat ons overkomt, of bij de handen afbreekt, of waar we geen raad mee weten. Het simpele feit dat je om hulp vráágt, maakt je ontvankelijk. En pas wanneer je open staat voor God, voor die onbegrijpelijke en liefdevolle kracht van het bestaan, pas dan kan God – in welke vorm dan ook en door wie dan ook heen – jouw leven binnenkomen om je de ogen te openen voor de hulp die beschikbaar is, of voor jou ondanks alles draagt, of voor wat er nog meer is naast datgene wat je zo’n verdriet doet of wat je kapot dreigt te maken.
Dat betekent niet dat alles als bij toverslag wordt zoals jij het wenst. Maar misschien wel dat we minder verkrampt in het leven staan. Dat we beseffen dat er veel is dat wij niet kunnen regelen, maar dat je alleen kunt ontvangen. En dat kan pas wanneer je met open handen leeft. Wanneer je een biddende, dat wil zegen een open en ontvangende levenshouding hebt.
“Bid en u zal gegeven worden” klinkt dat opeens heel anders. Misschien wil het wel zoiets zeggen als: wanneer je open in het leven staat, wanneer je niet alles zelf wilt regelen, dan ul je een heleboel ontvangen. Misschien niet direct wat je gevraagd hebt, maar wel wat je  nodig hebt. Misschien niet de oplossing van al je problemen, maar wel vormen van troost en kracht. Soms op onverwachte manieren of van onverwachte mensen, die zijn als engelen op je pad.
Eigenlijk staat het heel mooi in de brief van Paulus aan de gemeente in Filippi die we vandaag lazen: “Bid tot God, wat er ook gebeurt en dank Hem altijd. Dan zal God zijn vrede aan jullie geven.”

Er staat niet: dan krijg je wat je wilt. Er staat: dan geeft God jullie vrede. Wanneer we op een open, een biddende manier in het leven staan. Wanneer we kunnen ontvangen en niet denken dat we alles zelf kunnen regelen, dan komt er een bepaalde vrede over ons. Dan kunnen we ons denk ik verzoenen met het bestaan, met de mooie en de moeilijke kanten. Die horen allebei bij het leven en die maken ook dat het leven kostbaar is, nooit vanzelfsprekend.
Zo’n houding maakt ook dat je jezelf niet overvraagt. In veel wat er gebeurt hebben wij zelf maar een beperkte rol. En dat kan ook bevrijdend zijn.

Alles wat we doen is deel van dat grote geheel dat door God omvat wordt. Zoals ook wij, in leven en sterven, door hem worden omvat en gedragen. Precies dat besef wordt voor mij ook weerspiegelt in dat gedicht van Joy Harjo.
Momenteel is ze in de Verenigde Staten de dichter des Vaderlands of zoals het
daar heet: Poet Laureate. Bijzonder is dat zij de eerste Native American is die die positie vervuld. En haar Indiaanse afkomst klinkt ook in dit gedicht: het besef dat wij als mensen deel zijn van de natuur en er niet boven staan.

Bidden, zo klinkt het uit dit gedicht, is die verbinding weer bewust opzoeken.
En vanuit mijn geloof hoor ik erin: de hele schepping is met God verbonden en door ons op onze beurt met al het geschapenen te verbinden, komen wij ook dichter bij God, naderen we het geheim van het bestaan.
Dat is wat mij betreft geen pleidooi voor een natuurgodsdienst, maar wel voor de levenskunst om de stem van God op zoveel verschillende manieren te horen, om het gedicht aan te halen: ook in talen die meer omvatten dan het woord.

In onszelf soms, in de dingen waar we trots op zijn of waar we ons dankbaar over verwonderen, maar ook in deemoed, als we zien hoe klein we zijn. Als we beseffen hoe weinig we in ons eentje voor elkaar boksen en hoe zeer we elkaar nodig hebben. Maar ook in ons besef van de afhankelijkheid van de natuur.
Eenzelfde insteek lees ik in de remonstrantse geloofsbelijdenis, waar aan het begin staat:
Wij beseffen en aanvaarden dat wij onze bestemming niet vinden in onverschilligheid en hebzucht, maar in wakkerheid en verbondenheid met al wat leeft; dat ons bestaan niet voltooid wordt door wie we zijn en wat we hebben, maar door wat oneindig groter is dan wij kunnen bevatten.

Ons bestaan wordt maar voor een deel door onszelf bepaald. En wanneer we krampachtig proberen dat te ontkennen, dan zullen we die innerlijke vrede niet gauw vinden. Die vrede waar Paulus over spreekt, komt denk ik in ons bestaan wanneer we niet krampachtig alles in de hand proberen te houden, maar wanneer we met open handen leven. We moeten doen wat we kunnen doen, natuurlijk, maar even zo zeer kunnen loslaten en kunnen wachten. En zo leren te zien wat is. Want dan valt het wonder van het bestaan ons op heel veel manieren toe, zo geloof ik.En we mogen bidden dat we het leven ook zo kunnen ervaren. Als een geschenk dat ons telkens opnieuw gegeven wordt. Soms zijn we er direct blij mee. Soms weten we niet wat we ermee aan moeten. Op de ene dag kunnen we volop genieten en zijn we God dankbaar. En op de dagen dat het moeilijk is mogen we dat ook bij God neerleggen. Wanhopig, of boos, of verdrietig. En misschien zullen we dan toch ook ontdekken wat we wel ontvangen aan levenskracht en liefde. Meer dan we op het eerste gezicht zien soms. Omdat God en wat hij geeft altijd groter is dan wij vermoeden en heel anders soms dat we zelf kunnen bedenken.

En dan wordt bidden meer dan een lijstje van verlangen, dan wordt het een levenshouding, onze weg met God.

Amen.

Bron: Ik werd in mijn denken over bidden voor deze preek geholpen door een korte tekst van Marga Haas, oa de woorden van Jamison vond ik daar. Van het gedicht van Joy Harjo bestond voor zover ik weet nog geen Nederlandse vertaling, ik vertaalde het daarom zelf. Mijn doel was vooral de essentie van het gedicht goed over te brengen, al ben ik natuurlijk geen vertaler.