Preek 30 augustus 2020, start kerkelijk seizoen

Preek bij Mattheus 17: 24-27, 30 augustus 2020
Start kerkelijk seizoen

Lieve gemeente,

Het is een spannende tijd waarin we leven, vind ik, ook voor de kerk. En met
spannend bedoel ik, eerlijk gezegd, ook wel zorgelijk. Nu al die dingen die we
gewend waren zijn te doen en te delen zijn onderbroken, stilgezet, en voor veel
langer dan we in eerste instantie dachten hoopten, vraag ik me af hoe het
verder zal gaan. Ook met ons als gemeente, als kerk.

De gang is er uit, zei iemand tegen me. De gewoonte van het om de week naar
de kapel gaan, de kringmomenten, de ontmoetingen bij de koffie, ze zijn
weggevallen. En een gewoonte of een structuur raak je makkelijker kwijt, dan
dat je hem weer opbouwt.

Ik had het erover met een vriendin die in de theaterwereld werkt. Zij zei: “Als ik
eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik het niet zo erg vind, dat een heleboel nu
wordt afgebroken. Daar schrik ik ook wel van, maar ik merk dat ik niet meer
geloof dat ik via theater de wereld ga redden. Misschien moet het wel even
allemaal naar nul en dan zien we wel weer. Hoe erg het ook is om zekerheden
kwijt te raken.”

Het gesprek zette mij aan het denken. Hoe is dat eigenlijk voor de kerk? Is het
voor ons misschien ook goed als het bouwwerk afbrokkelt? Brengt dat ons
terug bij de kern? Of hebben we iets in handen, opgebouwd in al die eeuwen,
dat we moeten koesteren en beschermen?

Wat in elk geval goed is, denk ik, is dat deze tijd ons dwingt die vragen te
stellen? Wat deden we uit gewoonte? Wat is nog van deze tijd, van ons? In
hoeverre doen we de dingen in de kerk omdat we die altijd al deden en in
hoeverre doen we zo omdat we erin geloven, omdat ze ons goed doen en zo
zelfs misschien de wereld? Houden we oude vormen in de lucht alleen omwille
van wat was of blaast de kerk ons nog steeds nieuw leven in?

We hoorden vanmorgen de tekst uit Mattheus 17. Het is een stuk dat ik niet
zelf gekozen heb. Eerlijk gezegd was het mij zelfs nog nooit opgevallen, een
wonderlijke tekst dacht ik toen ik hem las, met die vis en dat geld. Geen idee
wat ik er mee moest, maar het staat voor vandaag op het rooster en om niet
alleen mijn eigen stokpaardjes te berijden, heb ik er toch mijn tanden maar
ingezet.

En toen ontdekte ik, zoals wel vaker gebeurt, hoe verrassend dichtbij deze tekst
terwijl ik in eerste instantie dacht dat ik er niets mee kon. Want eigenlijk stelt
Mattheus hier de vraag naar de verhouding van de gelovigen tot het instituut.

De korte tekst begint met een opmaat naar de vraag die Jezus zelf zal stellen.
Een opmaat waarbij de inners van de tempelbelasting bij Petrus komen.
En, schijnbaar langs hun neus weg, vragen ze om inlichtingen. ‘Die meester van
jou, die wil zeker niet de tempelbelasting niet betalen’. Of misschien is het
meer dan vragen naar inlichtingen, is het meer een valstrik dan een vraag. En
hopen ze Jezus op een fout te betrappen.

De tekst wekt de indruk dat Petrus geen idee heeft over het juiste antwoord.
Zou Jezus tempelbelasting willen betalen? Maar al weet hij dàt niet, hij weet
wel: machthebbers, moet je geen gedoe mee krijgen, want je trekt altijd aan
het kortste eind. En hij trekt zijn meest onnozele gezicht en zegt ‘Ja, natuurlijk
betaalt mijn meester tempelbelasting’
En dan gaat hij naar huis, en misschien heeft hij wel het voornemen het
gewoon maar eens te gaan vragen. Maar als hij thuiskomt begint Jezus al over
de zaak, nog voordat Petrus iets gezegd heeft. Jezus vraagt: “Van wie heffen de
koningen op aarde belasting? Van hun eigen kinderen of van anderen?”
Dat is niet zo’n moeilijke vraag. De Romeinse keizer laat nooit zijn eigen fysieke
kinderen belasting betalen. De koningen heffen belasting van anderen.
En dan geeft Jezus het gesprek een verrassende wending. Tot nu toe leek het
alsof het gesprek ging over zoiets banaals als belastingen, maar nu opent Jezus
iets waardoor het een spirituele les wordt. Jezus redeneert: “Als de kinderen
van de koning geen belasting betalen voor aardse koninkrijken en dan hoeft er
voor de tempel geen belasting betaald te worden door de kinderen van God.”
Dan gaat het plotseling over veel meer dan over belastingen alleen. Het gaat
over wat de leerlingen zijn, over wat wij zijn. Wij zijn kinderen van God. Als
christenen zijn wij kinderen van God en dat bepaalt ook onze verhouding tot
welke religieuze macht of instituut dan ook.
En dat is geen verhouding van gedwongen betalen, geen verhouding waarin
een ander de dienst uitmaakt en wij alleen volgens de regels moeten doen wat
ons gezegd wordt.

In geloof en religie is het aan ons te kiezen waar wij voor staan. De woorden en
de wetten zijn ons niet opgelegd, ze zijn er opdat wij ervoor kunnen kiezen. Of
niet natuurlijk.
Het levert een gevoel van vrijheid op. Er is niet iemand op aarde die over jouw
ziel of over jouw geweten heerst. Je bent vrij. Kind van God-zijn en vrijheid
horen bij elkaar.
‘Een christen is heer over alle dingen en niemands onderdaan’ zal Luther later
zeggen. Als kind van God ben je niemands onderdaan. In de tijd van Jezus
betekende dat ook: die tempel, met alle priesters die van alles van je
verlangen, met die strikte hiërarchie, dat hele systeem van geld en gewoonte,
is niet de baas over je. Je bent vrij. Dat is immers de essentie van het door God
gegeven leven. Niet voor niets zijn het de belangrijkste woorden uit het aloude
Testament: ik ben de Heer, jullie God, die je vrij heeft gemaakt van het
slavenbestaan.
En dan wordt het spannend. Op een mooie manier. Want dan klinkt de vraag
waar wij als gelovigen voor kiezen. Waar wij in geloven. Waar wij ons aan
willen verbinden, wat we willen koesteren en waar we aan willen geven, waar
we onszelf in zekere zin – met onze tijd, ons geld, onze gerichtheid – aan willen
geven. Welke vormen passen ons? Wat is de manier om elkaar vast te houden
en ons geloof te blijven voeden?
Nu de vaste structuren op losse schroeven staan, is het misschien wel het
moment om ons als gemeenschap en als individuen af te vragen:
Wat vind ik hier, in die kerk?
Maar ook: wat kan ik hier brengen?

Wat kunnen we met elkaar bewerkstelligen aan goed?
Wat brengt ons troost en inspiratie en hoe dragen al de verbanden die we
hebben opgericht daaraan bij?
Op een andere plaats in het evangelie vraagt Jezus aan zijn leerlingen: “Willen
jullie niet ook weggaan?” De openheid en de vrijheid die in die vraag besloten
liggen raken mij. Jezus probeert niet angstvallig de mensen vast te houden.
Heel open vraagt hij: waarom blijven jullie eigenlijk?
Waarom blijven we? In onze relaties of vriendschappen, in ons werk, maar ook
in de kerk? Het hoeft niet. Je kunt ook weg gaan. Je hoeft niet te betalen. Je
bent vrij.
Die vrijheid en die open blik maken dat je kunt zien wat er is. Ook aan redenen
om wel te blijven, om wel vast te houden aan wat er is.
Want hoewel ik geloof dat we in deze tijd zullen ontdekken dat er veel dingen
zullen veranderen en dat dat ook goed is, ik merk zelf misschien nog wel meer
dan voorheen dat ik er echt in geloof en er in vrijheid voor wil kiezen: de kerk,
onze gemeenschap, het goud dat we meedragen. Anders dan de vriendin over
wie ik het had, wordt ik in deze tijd juist bevestigd in mijn keuze om deel uit te
maken van de beweging die zoveel jaar geleden begon.
Een beweging waarin ruimte is om te praten over wat er toe doet, waarin we al
die oude verhalen steeds weer laten klinken omdat ze ons helpen om te zoeken
naar wat het leven goed – tov – maakt.
De VVP heeft als slogan een zin die mij altijd treft: de kerk is er om ‘onderdak te
geven aan de grote vragen van het leven.’

En dat kan alleen in vrijheid, als de vragen niet gelijk worden plat geslagen ook
met een eenduidig antwoord. En inderdaad in de kerk, zowel in de diensten als
in de kringen en de kerkelijke ontmoeting, is er meer ruimte voor die vragen
dan elders. Hier worden ze steeds weer gesteld, want dat is nu eenmaal waar
de kerk voor staat.
Maar de kerk, en dan misschien ook wel het instituut met die lange traditie, is
ook een vindplaats van troost, waar oude woorden en gebruiken telkens een
nieuwe persoonlijke lading krijgen, omdat wij ze blijven zeggen en blijven doen.
Die liederen bijvoorbeeld die mijn oma al zong en ik ook, dezelfde melodie en
woorden, maar met een ander gevoel want zij was zij en ik ben ik. Maar ook
een plek waar nieuwe muziek en nieuwe woorden betekenis kunnen krijgen.
Die kerk, ik hoop dat we haar met elkaar overeind houden. Niet omdat het
verplicht is om bij te dragen en mee te doen, maar omdat we het willen. Nog
steeds.
Onze penningmeester heeft wellicht opgelucht ademgehaald bij het einde van
dit verhaal, waar Jezus dan toch gewoon het geld aan de tempel betaalt.
Hoewel gewoon? Het slotstuk van deze kleine pericoop is misschien nog wel
het opvallendst: dat gekke stukje over de vis met het muntstuk. Dat stuk is nog
niet zo eenvoudig te duiden.
De exegeten komen er ook niet zo goed uit wat daarmee bedoeld wordt. Maar
dat geeft ook ruimte voor het zoeken naar een eigen duiding.
Ik herken in dat slot hoe God, ook in Jezus, ons steeds op het spoor zet van de
verwondering en het onverwachte.

Hoe wij worden geroepen zo de wereld in te kijken dat we niet alleen zien wat
vanzelfsprekend is, wat we verwachten of wat de wereld ons wil doen geloven,
maar dat we mogen leren leven van de verwondering. Dat we zien wat we niet
vermoed hadden.
Ik ben, en nu onthul ik u een guilty pleasure, een fan van tv-programma’s als
The Voice of You’ve got talent. En dan vooral van de keren dat iemand die op
het eerste gezicht een loser lijkt de hele jury en zaal beschaamd maakt en
enthousiast. Eindeloos kan ik dat soort fragmenten op You Tube bekijken, met
tranen in mijn ogen. Makkelijk sentiment kun je zeggen, maar voor mij heeft
het ook met het evangelie te maken. Al die fragmenten zijn voor mij een
reminder om te leren zien wat er niet lijkt te zijn. Om te geloven in het
onvermoede. Om mezelf en anderen de kans te geven die onverwachte kant te
laten zien. Om verder te kijken dan het gewone.
En wat mij in die lijn ook zo treft in ons bijbelgedeelte: in de mond van die
wonderlijke vis ligt dan dat banale geldstuk. In de bijbel zet het wonder ons
altijd weer op het pad van het gewone leven. Daar mogen we iets doen met
alles wat we ontvangen. En aan ons is dan de keuze wat we doen. Waar we ons
mee verbinden, waar we ons geld, ons talent, ons leven aan willen geven.
En misschien is dat gelijk de reden dat ik me nog steeds elke dag met de kerk
wil verbinden, in welke vorm dan ook, maar in elk geval in een vorm waarin ik
me vrij voel om te vragen, om te ontdekken.
De kerk is voor mij de plek waar ik leer het wonder te blijven zien, waar ik leer
het onverwachte te ontdekken en waar ik wordt opgeroepen dat wonder, de
schoonheid en de liefde in het bestaan, ook voor anderen te gelde te maken.

Voor mij gebeurt dat ook na twintig jaar nog steeds ook hier, door met elkaar
onze gemeenschap overeind te houden. Niet als een verstart instituut maar als
plek waar we elkaar zien staan, waar we elkaar bevragen en troosten, waar we
God in ons midden is. Ook nu.
Amen.

Bonnen: voor de exegese van de bijbeltekst had ik veel aan een aantal gedachten
van C. Wessel over deze tekst.