Preek 1 september

Bij Lucas 8: 26-39

Na deze lezing luisterden we naar “Ken je mij” door Trijntje Oosterhuis

Gemeente van Christus,

Deze zomer ging bij mij, net zoals bij veel andere lezers, het boek Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeiffer in de koffer mee op reis. Het boek is veel geprezen en wat mij betreft terecht, zeker ook omdat het de hedendaagse westerse mens een spiegel voorhoudt. Een spiegel overigens, die lang niet altijd een flatteus beeld weerkaatst. Uit het boek, dat zowel grappig als verontrustend is, komt de mens (of misschien beter gezegd: de maatschappij) niet onverdeeld gunstig naar voren.

Zo betoogt Pfeiffer in deze roman hoe binnen onze samenleving de waardering voor empathie zeldzamer, maar ook waardevoller is dan ooit tevoren.

En vervolgens stelt hij, bij monde van zijn alter ego: “Wij zijn ten prooi aan een neoliberalisme, dat als een religie wordt uitgedragen, en waarin egoïsme als een deugd en altruïsme als een zwakte worden gezien. We hebben, zo vervolgt hij, een generatie kinderen opgevoed met het idee dat het leven dient te worden aangegaan als een concurrentiestrijd waarbij winnaars winnaars zijn ten koste van verliezers en succes een keuze is die erin bestaat geen medelijden te hebben met degenen die er niet voor gekozen hebben succes te hebben. In die wereld hoeven we niet verbaasd te zijn dat empathie een rariteit is geworden.”

Ik weet niet of ik zijn hele analyse deel, maar het lijkt mij buiten kijf staan dat wij – innerlijk en van buitenaf – geregeerd worden door gerichtheid op onszelf, op onze hoogstpersoonlijke ontwikkeling (waar zelfs het werk voor goede doelen in ingebed lijkt te zijn), op het verlangen bijzonder te zijn en de wens ons te verbinden met wat of wie succesvol zijn. 

Ook of zelfs de kerk ontsnapt niet aan deze instelling, zolang een succesvol project op de Zuidas zoveel meer waardering en aandacht krijgt dan al die kleine gemeentes die in achterstandswijken het hoofd boven water en het evangelie zichtbaar proberen te houden.

En voor u denkt dat hier de ouderwetse dominee aan het woord is die, met het geheven vingertje, denkt alles beter te weten: ik vrees dat ik er net zo hard aan mee doe en er net zo gevoelig voor ben, kind van deze tijd immers.

Maar ergens ook knaagt het en voel ik me onrustig worden wanneer ik, de bijbel serieus nemend, me afvraag hoe wij, en ik, naar de wereld kijken en deze tegemoet treden. Wie of wat zie ik eigenlijk en wil ik zien? Ik vraag me af waar ik de ogen voor sluit. Waar ik me – hoewel ik beter zou moeten weten en beter zou moeten willen weten – een onecht beeld laat voorspiegelen.

Ik citeer nog een keer Grand Hotel Europa, dat vooral ook te lezen is als een als satire verpakte kritiek op ons toerisme. Pfeiffer beschrijft herin hoe men op Malta de vluchtelingenproblematiek heeft weten weg te poetsen om het toerisme niet in de weg te staan en de toeristen niet in verlegenheid te brengen.

“Er was”, zo beschrijft de auteur een bezoek aan het eiland, “in de pittoreske, schoongeboende straten van Valetta geen zwarte te zien geweest. Nergens in Europa ben je dichter bij Afrika dan op Malta, maar op Malta is Afrika verder weg dan waar ook in Europa.
En uiteraard is er een samenhang tussen de rigoureuze bestrijding en gewilde onzichtbaarheid van de immigratie uit Afrika en de bloeiende toerisme-industrie. Arme zwarte mensen in het straatbeeld zouden toeristen maar afschrikken. De regering van het eiland heeft overduidelijk ingezet op gastvrijheid voor witte buitenlanders met koopkracht, en gastvrijheid voor zwarte buitenlanders zonder bezittingen valt daar moeilijk mee te combineren.”

We leven, om het anders te zeggen, in onze eigen bubble, waar we mondjesmaat gezichten en geluiden van buiten toelaten, maar niet zozeer dat die bubble klapt en ons beeld niet meer houdbaar blijkt. 

Zien we de werkelijkheid eigenlijk nog? De werkelijkheid die dreigender is, maar tegelijk echter – en daardoor soms mooier dan de illusie waarin we ons vaak bewegen?
Zien we de werkelijk kwetsbare mensen nog en zien we onze eigen kwetsbaarheid onder ogen, ook wanneer deze geen kans is, maar alleen pijnlijk?
Laten we dat wat moeilijk is toe in ons leven wanneer dat van ons vraagt onze grenzen te verleggen? Niet op een populaire manier, maar door een stap te zetten, terug of vooruit, die we liever niet zouden zetten?

En zo kom ik bij het evangelieverhaal van vandaag. We horen hoe Jezus naar Gerasa gaat, een gebied dat de zijnen liever meden. Jezus stapt uit zijn bubble, uit de comfort-zone, zo zou je kunnen zeggen. En daar, in heidens gebied, buiten hun vertrouwde wereld, komt hen een man tegemoet. Een griezelig iemand, zoals Karel Eykman het in zijn kinderbijbel treffend beschrijft. Een mens die alle menselijkheid verloren lijkt te hebben. Hij woont bij de graven, weg van het gewone bestaan. Uit het zicht. Veilig weggestopt, zodat de mensen hem niet hoeven te zien, zich niet tot hem hoeven te verhouden.

En deze verstotene herkent Jezus. En in dat herkennen lees ik meer dan een feitelijke omschrijving, het is een existentieel moment. Deze mens die zo ontmenselijkt is herkent Jezus en hij noemt hem bij zijn naam. Jezus is aanspreekbaar, zo hoor ik hierin. Niet alleen voor de zijnen, voor wie hem nabij zijn, voor wie tot zijn kring horen, hij is aanspreekbaar voor iedereen.

Waar ik dat tot me door laat dringen, zet het mij aan het denken. In hoeverre ben ik, zijn wij, aanspreekbaar? Wanneer en voor wie? Laten wij ons kennen ook buiten onze comfort-zone? Willen wij een naam hebben, ook voor wie ons – letterlijk of figuurlijk – vreemd zijn?

De man herkent Jezus in zijn aanspreekbaarheid en daarin en daarachter herkent hij ook God. Niet voor niets noemt hij Jezus: Zoon van de Allerhoogste. Zo is ook God voor hem bereikbaar. Een mooiere belijdenis is nauwelijks denkbaar: God is degene die aanspreekbaar is. Ook als we in de war zijn, ook als we ergens buiten staan, ook als we boos zijn of diep verdrietig. Altijd is God een God van verbinding. En in al zijn angst en aarzeling richt de man zich daarom toch tot Jezus.
Haast ongelovig vraagt hij of deze werkelijk met hem van doen wil hebben en tegelijk moet hij gedreven zijn door een diep geloof en een grote hoop, zo zeer dat hij het risico neemt en een hand naar hem uitstrekt.

En dan vraagt Jezus op zijn beurt de bezetene, de van zichzelf vervreemde, naar diens naam. Waarop de man aangeeft dat niet te kunnen zeggen. Hij is immers niet meer uit één stuk, maar stuk gemaakt. Legioen, zo noemt hij zich, want in hem huizen zoveel stemmen, zoveel angsten, zoveel kanten waardoor hij zich liever verstopt, tussen de graven, weg van het leven. Zoveel ook waardoor hij zich gedwongen voelt wellicht om zich te verstoppen. Om onzichtbaar te zijn. Om de afwijzing en het gevoel mislukt te zijn niet steeds te hoeven ervaren.

Toen ik met dit gedeelte van het verhaal bezig was, dacht ik aan het nummer van Huub Oosterhuis dat we hoorden, gezongen door zijn dochter Trijntje: ‘Ken je mij, wie ken je dan?’
De tekst slaat terug op die oude psalm die bezingt hoe de Eeuwige ons door en door kent. Niet als een angstig beeld van een mens die telkens weer door de mand valt omdat zijn gebreken opgemerkt worden, maar als een danklied. Geschreven vanuit de dankbaarheid dat we er mogen zijn.

Ik werd en word als ik die tekst hoor steeds geraakt vooral door de volgende zinnen: 

Ben jij de enige voor wiens ogen
Niet is verborgen van mijn naaktheid
Kan jij het hebben,
Als niemand anders,
Dat ik geen licht geef, niet warm ben,
Dat ik niet mooi ben, niet veel
Dat geen bron ontspringt
in mijn diepte
Dat ik alleen dit gezicht heb,
geen ander.
Ben ik door jou, zonder schaamte,
gezien, genomen,
door niemand minder?
Zou dat niet veel teveel waar zijn?

Wij hebben allemaal onze kwetsbare kanten. Die kanten waarin een ander ons, moedwillig of onbewust, zomaar ze kan diskwalificeren. Of waarmee we onszelf diskwalificeren. Die dingen waar we niet trots op zijn. Waar we op onze ziel getrapt kunnen worden, stuk gemaakt. Waar ons pijn zit, onze schaamte, onze onzekerheid.
En we zoeken denk ik allemaal iemand die ons ook daar met liefde aanziet. En we zoeken de kunst en het vertrouwen onszelf daar met liefde aan te kunnen zien.

Niet dat er nooit iets hoeft te veranderen aan ons, maar wel: dat waar dat niet lukt of niet gebeurt, waar we niet mooier worden, waar onze kwetsbare plekken geen zalf of vernis krijgen, dat we daar niet afgeschreven worden. Niet door onszelf en niet door elkaar. Zoals God ons nooit afschrijft. En dat wij in zijn spoor ook daar waar het moeilijk is niet wegkijken, maar elkaar vasthouden.
Dat we zo een plek creëren, in alle betekenissen van het woord, waar we – gebroken als we zijn – ook mens uit één stuk blijven, omdat alles bij ons mag horen. Ook onze pijn en ons verdriet.
“Mijn omzwervingen hebt Gij opgetekend, vang mijn tranen op in uw kruik”, zo staat er zo prachtig in psalm 56. Zoals we in alles wat we zijn en meedragen door God gedragen worden, zo mogen wij er ook voor elkaar proberen te zijn. Ons verdriet, onze zoektocht, dat we meemaakten, dat wat ons werd aangedaan, dat wat we anderen aandeden, het is er. En het hoort bij ons, zoals onze liefde bij ons hoort, onze zachtheid, ons geluk en dat waar we wel trots op zijn.
En wanneer het zo gaat, dan kunnen we als mens ook tevoorschijn komen. Zoals de man bij de graven tevoorschijn komt en weer mens wordt, er bij gaat horen. En daar ligt dan het begin van genezing en acceptatie.

Natuurlijk, dat gaat niet vanzelf. Als gelovige mag en moet je ook realist zijn. We doen ons best, maar we zijn Jezus niet. Dat is soms een teleurstellende, maar vaak ook een bevrijdende gedachte. We hoeven geen heiligen te zijn. Maar ik denk wel dat we als gelovigen geroepen zijn in ieder geval zoveel mogelijk open te staan. Open voor de ander, open voor het leven in al zijn aspecten. Open, ook buiten de vertrouwde kring van mensen, buiten onze vertrouwde en comfortabele manier van kijken en denken. Buiten de wereld van het eerste gezicht.

Op het uitgereikte vel ziet u ook een afbeelding , het is een werk van de Spaanse kunstenaar Jaume Plensa. Momenteel staat hij ook centraal in een expositie in het Haagse museum Beelden aan Zee. 

Plensa is een bijzonder persoon. In een interview zei hij ooit: “Je moet in je werk, in dat waar je voor staat, volhardend zijn en overtuigd van wat je doet. Maar daarnaast moet je als mens altijd bescheiden blijven en open.”
En die openheid speelt ook een rol in zijn werk. Op de foto is een kunstwerk te zien dat hij maakte voor de Biennale in Venetië. Het stond daar in de kathedraal en dat is niet voor niets want het heeft een sterk spirituele lading. Daarover zei Plensa onder andere: een kenmerk van spiritualiteit is dat je altijd een lege plek, altijd ruimte, in jezelf bewaart. Ruimte voor wat nieuw is, voor wat verwondering of empathie teweegbrengt, voor dat wat nieuwe verbindingen legt, in en buiten jezelf.

Dat zie ik verbeeld in dit kunstwerk dat ook letterlijk open is. Maar ik zie er ook nog wat anders in: dat je, wanneer je opgaat in schoonheid (zeker ook in de kerk en vanuit je geloof), dat nooit tot gevolg mag hebben dat je de ander niet meer ziet.
Dat vind ik zo mooi aan dit beeld: door het werk heen blijven we geconfronteerd worden met de ander, blijven we hem of haar zien, of we nu willen of niet. Ook als diegene aan de overkant staat. En zo vertelt dit werk mij ook dat we ons nooit in onszelf en onze eigen wereld moeten opsluiten.

Dat er in ons altijd een lege plek zou moeten zijn voor de ander, om het gedicht van Kopland aan te halen. Later dit seizoen zal deze regel ook het uitgangspunt zijn van de preek van de leek van voormalig stadsdichter Ruud Broekhuizen. Een lege plek, ruimte. Dat wat de voorwaarde is voor verbinding.

Is er in ons nog genoeg van die openheid? Openheid voor wat of voor wie nieuw is of anders?
Is er genoeg lef, genoeg hart, om te durven zien wat verdrietig maakt of moeilijk is?
Is er genoeg liefde om ons steeds weer te verbinden, met het vertrouwde en met het onbekende? Juist ook buiten de schijnwerpers van het succes?
En durven we het hele leven te omarmen, door elkaar en de wereld werkelijk te blijven zien als Gods geschenk in duister en licht? En daarna te handelen?

Moge het zo zijn. Amen.