PINKSTERPREEK 2019

PINKSTERPREEK 2019,
We lazen uit 1 Koningen 19: 1-8 en Handelingen 2:1-3
Op de voorkant van de liturgie stond het volgende schilderij van Ceija Stojka afgebeeld:

Ceija Stojka (1933-2013) was een schilderes van Roma komaf. Zij overleefde de gruwelen van Auschwitz, Ravensbrück en Bergen-Belsen.
Van haar ervaringen in de oorlog heeft zij aangrijpende schilderijen gemaakt. Maar ze schilderde ook het leven voor en na die gitzwarte periode en zo ademt haar werk ook de veerkracht van de mens en het wonder van het leven.

Preek

De Heilige Geest dat is:
door de holten van het gemis
van het menselijk bestaan
wakkert de wind weer aan.
(Uit een gedicht van jan Willem Schulte Nordholt 1 )

Gemeente van Christus, lieve mensen,

Lange tijd kon ik niet zo goed uit de voeten met het Pinksterfeest en ik denk dat dat te maken had met de manier waarop het verhaal door Lucas in Handelingen verteld wordt. Het heeft iets triomfantelijks: al die mensen uit al die volken in één keer overtuigd. En dat dan schijnbaar ook in een sfeer die zo buitengewoon en uitbundig was dat omstanders eerder dachten aan dronkenschap dan aan een wonder. En omdat ik vaak niet zo uit de voeten kan met het extraverte, bleef dit kerkelijk feest altijd een beetje een ver van mijn bed show.

Maar misschien, zo dacht ik deze dagen, mede dankzij dat gedicht van Schulte Nordholt, misschien is Pinksteren wel helemaal niet het feest van de uitbundigheid en het triomfalisme van het christendom, misschien is het vooral dit: het voorzichtig vieren van een nieuwe opening in het bestaan.

Daarbij hielp het me ook om die andere bijbelse vertelling van Pinksteren te lezen, die uit Johannes waar Pasen en Pinksteren letterlijk op één dag vallen. In zijn evangelie staat het zo:

Op de avond van de eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: Ik wens jullie vrede!
Na deze woorden toonden hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. Nog eens zei Jezus: Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit. Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: Ontvang de Heilige Geest.

Ik zie het voor me en vind het ook zo begrijpelijk: de leerlingen na de dood van Jezus in die bovenzaal bij elkaar. Bang. Moedeloos.
Opgesloten in hun teleurstelling en twijfel. Dicht.
Ik denk dat het voor bijna iedereen een herkenbare ervaring is. Dat we allemaal momenten in ons leven hebben waarop we het niet meer weten, de hoop vervlogen, geen idee hoe het verder moet en wat we nu willen met onszelf en ons leven. Als in een gesloten bovenzaal, op een afstand van het leven buiten dat maar onverschillig door lijkt te gaan.
Maar dan zonder ons.
Soms kan dat een gezamenlijke ervaring zijn, zoals bij die leerlingen. Dat je in elk geval de moedeloosheid nog deelt. Vaak ook, denk ik, is een individuele ervaring. Je bent alleen in en met jezelf.

Die momenten in je leven waarop je het zo nodig hebt dat er weer iets gaat waaien, gaat stromen. Door de holten van het gemis heen. Het verlangen, of meer nog dan dat, de noodzaak, dat er ondanks jezelf weer levensmoed in je opwelt. Van buitenaf, zo voelt het, want binnenin kun je het niet meer vinden.

Jezus kwam in hun midden staan en zei: Ik wens jullie vrede. Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: Ontvang de Heilige Geest.

Het zijn eenvoudige woorden en kleine gebaren, geen windvlaag maar het blazen van een mens. Geen grote beloften, maar een zachte vredeswens.
In de theologie is men het verhaal uit Johannes wel Klein Pinksteren gaan noemen. En voor mij is dat kleine pinksteren behapbaarder, geloofwaardiger, maar ook troosterijker dan de grote en uitbundige variant. Klein Pinksteren is voor mij groot genoeg.

Ik wens jullie vrede.
En het is alsof er voorzichtig weer zachtheid en openheid de gesloten kamer binnenwaait.

Ik wens jullie vrede. En: zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.

Zoals telkens in de bijbel weer klinkt ook hier de opdracht, de wens, dat wij het goede dat we zelf hebben ontvangen, zullen kunnen delen met anderen. Misschien kunnen wij voor een ander zijn wat Jezus voor zijn leerlingen was: een nieuw begin, een teken van hoop, een zachte groet die iets van liefde en moed naar binnen doet waaien. Ook en juist daar
waar alles dicht lijkt te zitten. Dat wij er misschien een rol in kunnen spelen dat het weer gaat stromen, dat het leven openbreekt. Zonder onszelf te overvragen, het mag klein en aards zijn. Behapbaar.

Vandaag klonk het verhaal over de profeet Elia, de grote profeet die er doorheen zit. Die het niet meer gelooft, niet meer overeind houdt, die zich vertild heeft aan de boodschap van God, en die nu zelfs zichzelf niet meer overeind houdt.

En dan toch gebeurt voor hem Klein Pinksteren. Het is het meest eenvoudige en aardse dat er is: wat te drinken en een koek. Daar begint het weer door te stromen, daar ontstaat voorzichtig weer nieuwe moed.
Een engel van God, zo vertelt dit dichterlijke verhaal ons, raakt hem aan en wijst hem op het leven, op het leven in alle aardsheid en eenvoud.
Daar mag Elia naar grijpen om weer de geest te krijgen.

God begrijpt het, zo lees ik ook uit deze tekst, dat wij het niet eindeloos volhouden. Hij verwacht niet van ons dat we altijd sterk zijn. Hij is niet boos als wij het niet meer kunnen: al die ballen in de lucht houden. Hij veegt ons niet de mantel uit als we bij de pakken neerzitten. Maar hij hoopt dat we het leven weer ontdekken. Dat we de tijd nemen om te eten en te drinken. Dat we zien wat is. En dat we dan voorzichtig de onze mantel weer om kunnen slaan om opnieuw op weg te gaan.

Het werd de vrijzinnigen vroeger wel verweten: dat hun evangelie zich beperkte tot een kommetje soep voor de buurvrouw en dat ze schroomden om te spreken over dat waar het werkelijk omging, het geloof. Maar ik denk dat veel van die mensen het eigenlijk heel goed had begrepen, omdat het vaak juist daarom gaat: die aardse gebaren die zo veel meer geven en zeggen dan grote woorden.

Klein Pinksteren.

De Heilige Geest dat is:
door de holten van het gemis
van het menselijk bestaan
wakkert de wind weer aan.

Ik las in een interview met de dichteres en essayist Marjoleine de Vos het volgende. Zij zegt daarin, wanneer het gaat over de vraag hoe ze omgaat met de moeilijke en eenzame momenten in haar leven:

“Als ik me matig voel of verdrietig ben of loop te malen, dan helpt het mij geweldig om gewoon een uur te gaan wandelen, hier in de ruimte. De ruimte, daar knap je ongelooflijk van op. Dat je die luchten ziet, dat licht, en de wind voelt… Ergens tijdens de wandeling, zonder dat ik er erg in heb, is er iets veranderd. Ik kom heel vaak anders terug. Dan heb ik
allerlei dingen losgelaten zonder dat ik er speciale meditatieoefeningen voor heb gedaan. Het wandelen zelf, de beweging, en het buiten zijn, en ook wel dat het gewoon hard waait, dat je je in moet spannen, al die dingen helpen. Ik denk ook heel vaak aan Prediker: ‘Doe wat uw hand vindt om te doen.’ Dat is beter. Dat geloof ik zo langzamerhand.”

De Heilige Geest dat is:
door de holten van het gemis
van het menselijk bestaan
wakkert de wind weer aan.

Hoe je het leven weer vindt door de holten van het gemis heen. Door gewoon maar te doen wat je hand vindt om te doen, door je ene voet maar weer voor de ander te zetten, door het eten van een koek.
Door juist in alle verdriet en gaten in het bestaan te proberen te leven en zo weer licht te zien en te voelen.

Met die mooie woorden van Leonard Cohen: There’a a crack in everything, that’s how the light gets in.
De holten van het bestaan, juist die maken ons open voor het licht, voor wat verdiepend is en werkelijk dragend.

Die holten van gemist, die scheuren in ons bestaan, die maken ook dat er iets zichtbaar wordt van wie we ten diepste toe zijn. Wanneer we alleen maar buitenkant zijn, wanneer we onszelf alleen laten zien van onze geslaagde kant, zijn we niet werkelijk onszelf en niet werkelijk zichtbaar. En dat gaat wringen. Dat maakt dat we op onze tenen lopen.
Onzeker worden of blijven.

En misschien vertelt ons verhaal van vandaag ons ook wel dit: dat we er ook met onze beschadigde kanten mogen zijn. Sterker nog: dat we alleen met die kanten een compleet mens worden. En dat God ons zo ziet en liefheeft. En dat Hij hoopt dat we elkaar ook zo kunnen zien en omarmen.

En toen dacht ik weer aan dat zinnetje uit Handelingen 2: En ieder van hen hoorde de leerlingen spreken in hun eigen taal. En die taal die staat hier misschien voor het eigene van onszelf. De mensen weten zich tot hun verwondering gezien als individu, in hun eigen context gekend en daarin aangesproken. Ieder op zijn of haar manier. God spreekt ons aan
op zo’n manier dat we het kunnen verstaan en in kunnen gaan op zijn woord van vrede.

Maar.

Want het is een kenmerk van ons aardse bestaan dat er steeds weer een ‘maar’ is.
Maar wat als je wacht en het komt niet?
Als die holten in je bestaan door niet anders gevuld blijven dan door de
eenzaamheid van gemis?
Wat als al die aardse dingen niet genoeg voor je zijn?
Wanneer je je niet opgetild weet, maar voor je gevoel gevangen blijft in
die gesloten kamer?

En waarom gebeurt het bij de een wel en bij de ander niet?
Wat maakt dat Ceija Stojka na alle gruwelen van de kampen weer kon schilderen en zelfs het leven weer kon omarmen, terwijl talloze anderen hun ervaringen nooit te boven kwamen?
Wat maakt dat het leven, de levenslust, niet voor iedereen weer opnieuw hun hart licht maakt?

Waarom?

Ik heb er geen antwoord op. En het grijpt me bij de keel soms.
En dan ik kan niet anders en niet meer dan tegenover dat ‘Maar’ dat telkens weer ons leven binnenkomt, voorzichtig het bijbelse “En toch” zeggen.
En toch, toch probeer ik in alle onzekerheid en alle schaduwkanten van het leven hartstochtelijk de hoop vast te houden dat voor alle mensen komt: zo’n moment waarop de geest het bestaan binnenkiert en even weer licht en hoopvol en zacht maakt. Als een kleine oase in de woestijn.
Klein Pinksteren, genoeg voor even en daarom genoeg.
Ik blijf hartstochtelijk en voorzichtig hopen dat het voor ieder mens is
weggelegd:

De koeken waar een engel ons op wijst
Het kommetje soep aangereikt door de buurvrouw
De moed die na een wandeling weer door je aderen stroomt
De liefde van een ander mens die troost
De herkenning, al is het maar voor even, van wie je echt bent
Je gezien weten
Klein Pinksteren
Hoop en troost die meer waard zijn dan triomf, en die genoeg zijn.
De kiem van een onverwoestbaar vertrouwen.

We kunnen het niet op afroep laten ontstaan, die momenten. Maar we kunnen misschien wel de voorwaarden een handje helpen. We kunnen proberen open te staan. Onszelf niet verstoppen. En – wanneer het in onze macht ligt – steeds weer koppig en hoopvol weer ‘en toch’ zeggen tegen al die ‘maars’ in ons leven. Voor onszelf en voor elkaar. In verwachting van de komst van de Geest, de Trooster.
Juist in de holten van het gemis.

Zoals in het volgende gedicht, het heet Vertrouwen 2 :

Vertrouwen
Ik zie haar eerste bloei
nog op het kale hout
en vraag bezorgd
vanwaar die vroege groei
de nachten nog zo koud
de boom zegt niets
maar bloeit mij aan
alsof haar zachte kracht

de strengste vorsten
zal weerstaan
ook deze nacht.

Moge het zo zijn.

1 Het hele gedicht is onder andere hier te vinden:
https://www.kuleuven.be/thomas/page/tijdschriften/viewarticle/61976/
2 Dit gedicht is geschreven door Corja Menken-Bekius