Omkijken

PREEK BIJ GENESIS 19: 12-26 EN LUCAS 9: 57-62
(ds Kim Magnée-de Berg)

Gelezen gedicht: De vrouw van Lot (Wislawa Szymborska)

Naar men zegt keek ik om uit nieuwsgierigheid.
Maar naast nieuwsgierigheid kon ik andere redenen hebben.
Ik keek om uit verdriet om een zilveren schaal.
Uit onoplettendheid, toen ik het riempje van mijn sandaal vastbond.
Om de rechtschapen nek van mijn echtgenoot Lot niet steeds voor me te zien.
Door de plotselinge zekerheid dat als ik nu doodging – hij niet eens zou blijven staan.
Omdat ook onderdanigen weerspannig kunnen zijn.
Om de achtervolgers te kunnen horen.
Getroffen door de stilte, in de hoop dat God zich had bedacht.
Onze beide dochters verdwenen al over de heuveltop.
Opeens voelde ik de ouderdom in me. Verwijdering.
De vruchteloosheid van het zwerven. Slaperigheid.
Ik keek om toen ik mijn bundeltje op de grond legde.
Ik keek, te bang om nog een stap verder te doen.
Op mijn pad waren slangen verschenen,
spinnen, veldmuizen en gierkuikens.
Niet meer het goede of kwade, maar alles wat leefde
kroop en sprong in gezamenlijke paniek vooruit.
Ik keek om uit verlatenheid.
Van schaamte omdat ik stiekem vluchtte.
Omdat ik zin had te schreeuwen, terug te gaan.
Of pas toen de wind opstak,
mijn haar loswoei en mijn kleed optilde.
Ik had het gevoel dat ik vanaf Sodoms muren te zien was,
en dat ze daar in een daverend gelach uitbarstten, weer en weer.
Ik keek om uit woede.
Om me te verlustigen aan hun grootse ondergang.
Ik keek om alle hierboven opgegeven redenen.
Ik keek om buiten mijn wil.
Het kwam door het rotsblok dat grommend onder me wentelde.
Een spleet sneed me onverwacht de weg af.
Op de rand trippelde een hamster op zijn twee achterpootjes.
En toen wierpen we beiden een blik terug.
Nee, nee. Ik rende verder,
sleepte me voort en vloog op,
tot het donker uit de hemel stortte,
en daarmee hete kiezel, dode vogels.
Uit ademnood tolde ik vele malen rond.
Wie het had kunnen zien, had gedacht dat ik danste.
Niet uitgesloten dat ik mijn ogen open had.
Mogelijk viel ik met mijn gezicht naar de stad toegewend.

Gemeente van Christus,
Ik weet niet hoe het u vroeger verteld is, dat verhaal van de vrouw van Lot, maar in mijn herinnering kwam ze er niet best af. Ze kon zich niet losmaken van de stad (en dus niet van de zonde die daar bedreven werd) of ze was behept met een ziekelijke nieuwsgierigheid (in orthodoxe preken niet zelden als kwalijke vrouwelijke eigenschap gekenschetst) en daarom werd ze – en dat was geheel gerechtvaardigd -veranderd in die zoutpilaar.
Omkijken als doodzonde, als reden om afgeschreven te worden. Zo klinkt het in het verhaal van de naamloze vrouw van Lot uit Genesis. Een verhaal dat verontwaardiging en onbegrip oproept. En waarvan we misschien zouden zeggen: daar heb je weer zo’n Oud-Testamentisch verhaal waar we niets meer mee kunnen. Gelukkig hebben we ook het Nieuwe Testament nog.
En dan is het even schrikken wanneer we horen dat Jezus eigenlijk dezelfde boodschap predikt, het staat er klip en klaar in het evangelie: Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het Koninkrijk van God.
Maar: wat is er menselijker en begrijpelijker dan omkijken?
In het prachtige gedicht van Szymborska schetst ze het ontroerend mooi. Wie het leest moet wel van de vrouw van Lot gaan houden, haar begrijpen, en verontwaardigd raken over de afloop van het bijbelse verhaal.
Wat is er menselijker dan omkijken? Sterker nog, hoe onmenselijk en onverschillig is het om niet om te zien.
Die rechtschapen nek van Lot, waar Szymborska het over heeft, symboliseert die niet juist onbarmhartigheid en hardheid? Het verleden van je afschudden zoals een hond het water uit zijn vacht schudt, dat kan toch niet de bedoeling zijn van ons leven, ook niet vanuit goddelijk perspectief?!
En toch wordt het zowel in dat verhaal over de vrouw van Lot als in het evangelie gezegd: wie achterom blijft kijken, loopt vast. De weg waar we voor bedoeld zijn is de weg vooruit. Het is, zoals wel vaker in de bijbel, radicaal verbeeld en verwoord. Niet om het zo letterlijk te nemen, vermoed ik, maar om de kern van de boodschap duidelijk over het voetlicht te brengen: laat je niet vastleggen door het verleden, blijf niet eindeloos achterom kijken, want dan verzand je, dan kom je niet verder. Er is een moment waarop je moet kiezen, waarop je je om moet draaien, zoals Maria van Magdala bij het graf, die pas als ze zich om heeft gekeerd, van het graf af naar de wereld, de Opgestane ontdekt. Het is zoals de Eeuwige in Deuteronomium tegen het volk zegt: “Het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat jullie leven en jullie nageslacht.”
Het gaat er niet om dan we nooit mogen omkijken, dat het verleden niet bestaat. Sterker nog, het gedenken – en dat is een vorm van omzien – is zelfs een opdracht voor ons. Maar het is geen eindpunt, we moeten er niet in blijven hangen. Uiteindelijk ligt onze weg voor ons, niet achter ons.
Wij zijn geroepen in beweging te komen, om verder te komen, om te groeien. En dan is het soms nodig om radicaal te zijn, om een stap te zetten, om geen gevangene van het verleden te worden.
Er is zoveel dat achter ons ligt of wat ons op onze plaats houdt: onze geschiedenis, je bestaanszekerheid, je verworvenheden, wat je hebt opgebouwd, maar ook wat aan ons kleeft, onze reputatie, geruchten, het afglijden naar oude gewoontes, angst, behoudzucht.
En er is dat wat voor ons ligt: de toekomst, onze ontwikkeling en bestemming, dat waar we toe geroepen zijn, het visioen ook, de droom van die andere wereld, of misschien beter en bijbelser gezegd: de belofte van het Koninkrijk.
Want het kan en mag toch niet zo zijn dat dit het is: een aarde die naar de knoppen gaat, mensen die het niet redden, ongelijkheid en kortzichtigheid, alles wat nu eenmaal zo was en waar we maar in blijven hangen. Zo kan het toch niet bedoeld zijn?
En dan antwoordt de bijbel in alle toonaarden: nee, zo is het niet bedoeld. Er is meer. Er is een perspectief, dat lonkt, dat ons wegtrekt uit het verleden, er is een God die ons wil zien groeien en die dat verlangen ook in ons wekt, voor onszelf en voor elkaar.
Straks aan het eind van de dienst zingen we het met een zin die bij mij altijd nog dagenlang blijft nazingen in mijn hart en in mijn hoofd: “Ga en ontdek wat vandaag nog voor jou ligt verborgen.”
Worden wie je bent, het klinkt ondertussen haast vermoeiend cliché, maar ik geloof toch dat we daarnaar op weg mogen gaan. Daarnaar en naar dat Koninkrijk van God. En ik geloof dat die twee bij elkaar horen. Dat het Koninkrijk misschien dan ontstaat waar elk mens kan zijn wie hij of zij is, waar het geen privilege is om te groeien, waar niet alleen voor ons, maar ook voor komende generaties een aarde is om van te leven, lucht die ons doet opademen, liefde om te delen en alles wat het leven goed maakt. En dat daar verandering en vooruitgang voor nodig is.
Elke dag worden we opgeroepen om in onze keuzes die keuze te maken die ten leven leidt: voor onszelf, voor de mensen om ons heen en na ons, voor naasten dichtbij en veraf. De hand aan de ploeg en vooruit kijken, want anders ontspoort die ploeg en wordt het niks. Of beter gezegd: blijft het hetzelfde.
Maar wat is het soms onvoorstelbaar moeilijk. Wat kunnen we vastzitten in het verleden. Eindeloos twijfelen en achterom kijken. Gevangen in onze reputatie, in onze behoudzucht, in onze angst.
Vooruit kijken en een stap naar voren doen, lang niet altijd durven we het aan. Immers, we weten wat we hebben – hoe beperkend soms ook – en niet wat er komt. En hoe vaak wachten we niet tot we denken meer zekerheid te hebben over de toekomst, of tot we iemand gevonden hebben die ons bij de hand neemt of tot we op iets stuiten waaraan we zekerheid en moed ontlenen.
Wie daar, net als ik, weleens last van heeft, heeft misschien ook iets aan het volgende verhaal uit de Eerste Wereldoorlog, toen een jonge luitenant uit zijn peloton een verkenningsgroep de Alpen in stuurde.
Hij had dat echter nog niet gedaan of het begon hevig te sneeuwen. Twee dagen lang sneeuwde het maar door en de groep kwam maar niet terug. De luitenant lag er wakker van: hij was ervan overtuigd dat hij de jonge mannen de dood in had gestuurd. Maar de derde dag keerde de verkenningsgroep onverwachts toch terug. Waar waren ze geweest? En vooral: hoe hadden ze de weg terug gevonden?
Op die vraag antwoordden de mannen dat zij ook zelf gedacht hadden dat ze verloren waren, en ze hadden de moed al opgegeven toen een van hen in zijn broekzak een kaart vond. Dat stelde hen gerust. En ze voelden zich weer sterk genoeg om door te gaan. Met behulp van de kaart vonden ze weer de juiste richting. En hier zijn we dan, zeiden ze tegen hun luitenant.
Nieuwsgierig vroeg hij hun naar de kaart die hen gered had, zodat ook hij die kon bestuderen. Hij vouwde hem open, keek ernaar en keek nog eens, en met een glimlach ontdekte hij dat het helemaal geen kaart was van de Alpen, maar van de Pyreneeën.
Wat heb je nodig om de weg naar de toekomst te gaan? En ligt er misschien niet veel meer in jezelf dan je altijd gedacht hebt?
Durf het maar aan, klinkt er uit dit verhaal, maar voor mij ook uit veel bijbelverhalen, durf het maar aan om ondanks en dankzij jezelf de onzekerheid aan te gaan om de weg van je verlangen te volgen. Van je diepste verlangen. En de weg van je overtuiging en onze roeping: dat het gaat om dat grote geheel, om die wereld waar we ruimte maken voor elkaar en voor God, en zo tot bloei komen. Leef maar van de hoop en niet van de angst. Kijk maar vooruit, wie weet wat je dan ontdekt.
Dat gaat, dat weten we allemaal, niet vanzelf. Daar is moed voor nodig inderdaad, soms het duwtje van een ander, soms een verhaal, soms het onontkoombare gevoel dat het zo in elk geval niet meer gaat, in ons eigen leven of wereldwijd.
Maar misschien is er ook altijd nog iets anders voor nodig. Daar kwam ik op toen ik deze week iets las van de joodse denker Ernst Bloch. Hij stelt in zijn bevlogen werk steeds de hoop centraal. En ik denk dat dat misschien wel een eerste vereiste is: om te kunnen hopen – hoe kwetsbaar die hoop ook is – en zo de toekomst aan te durven gaan.
Hoop is, aldus Bloch, het meest wezenlijke aspect van de mens. En in die lijn koos ik ook dat gedicht van Hanny Michaelis dat aan het begin van de dienst klonk : over de hoop die koppig is en zo ondanks alles bij ons hoort.
Het is die hoop, zo zegt Bloch, die inspireert om de gebaande paden te verlaten, op onderzoek uit te gaan en jezelf en de samenleving verder te ontwikkelen. Waar hoop is, daar is religie, stelt hij zelfs. En de religieuze mens is al hopend op weg naar een nieuwe wereld. Naar Gods Koninkrijk zou de bijbel zeggen.
Ernst Bloch noemt het – en ik vind dat een prachtig word – thuisland.
Wij mogen als mensen leven op weg naar thuisland. En daarom moeten we ook niet zo om blijven kijken dat we verdwalen in het verleden. Waar we omzien moet dat met een doel zijn: om nooit te vergeten wat mensen hebben geleden bijvoorbeeld, of om te leren van wat we fout deden of om de kracht van het verleden ook vruchtbaar te laten zien voor ons leven nu.

Leven betekent ook altijd loslaten en achterlaten, het betekent verder gaan. Aan ons de taak om te kiezen wat we meenemen de toekomst in, de taak om achter te laten wat ons ten diepste toe belemmert en de opdracht om de moed te vinden om vooruit te gaan, wij hoeven alleen onze voeten de juiste kant op te zetten.
Er is werk aan de wereld. Voor ons ligt de weg ten leven. Er bestaat nog geen kaart van, maar die hebben we ook niet nodig. Wat we wel nodig hebben – en wat we als mensen steeds weer uit en achter de harde realiteit op mogen diepen – zijn hoop, en liefde en moed en vertrouwen.
Ja, er zijn redenen genoeg om om te kijken. En zo af en toe moeten en mogen we dat ook doen, omzien. In verwondering, in afschuw, in opluchting of zelfs in angst.
Maar voor wie gelovend op weg wil gaan wegen al die andere redenen zwaarder, de redenen om vooruit te kijken. Voor ons lonkt de horizon. En achter horizon ligt het thuisland:
Omdat de huizen die wij bouwden
geen onderkomen kunnen zijn.
Omdat het bloedeloos vertrouwde
ons achterdochtig maakt en klein.
Dat wat wij hebben ons niet gijzelt,
dat wij van elke dwang bevrijd
naar onbekende plaatsen reizen,
dat Gij ons onderkomen zijt.
Amen.