Nieuwjaarspreek 2020

PREEK van 5 januari BIJ MARCUS 5: 21-43 en het volgende gedicht van Mary Oliver:

“I Worried”

I worried a lot. Will the garden grow, will the rivers
flow in the right direction, will the earth turn
as it was taught, and if not how shall
I correct it?

Was I right, was I wrong, will I be forgiven,
can I do better?

Will I ever be able to sing, even the sparrows
can do it and I am, well,
hopeless.

Is my eyesight fading or am I just imagining it,
am I going to get rheumatism,
lockjaw, dementia?

Finally I saw that worrying had come to nothing.
And gave it up. And took my old body
and went out into the morning,
and sang.”

― Mary Oliver, Swan: Poems and Prose Poems

Na dit gedicht luisterden we voorafgaand aan de preek naar Gabriella’s Song (Uit de film As it is in heaven)

 

Gemeente van Christus, lieve mensen,

Aan het begin van het nieuwe jaar ontpopt het weer bij velen van ons: het verlangen om iets (of veel) in ons leven te veranderen. En het gevoel dat dit het moment is. Of in elk geval: een moment.

Maar ook op andere momenten kan het ons overvallen: de diepe wens een andere kant van onszelf naar voren te laten komen. Te stoppen met wat niet of niet meer past. Tot de kern te komen of juist meer naar buiten te treden.
Wij mensen zijn in essentie ook altijd veranderlijk. Of beter gezegd: we ontwikkelen onszelf continu. Als het goed is tenminste.

Zo bewegen wij ons tussen wie we zijn en altijd blijven en de mens die we worden. De filosoof Bergson, die stelt dat het leven altijd uit transitie (verandering) bestaat, schrijft: “Men kan met recht zeggen dat wat wij doen afhangt van wie wij zijn. Maar daar moet je bij zeggen dat we ook zijn of worden wat we doen en dat we zo voortdurend onszelf herscheppen.”

Het is wonderlijk hoe het werkt: wij weten of voelen dat dat voortdurende veranderen en groeien hoort bij het mens-zijn en er zelfs een voorwaarde voor is, voorwaarde om tot bloei te blijven komen. En toch, toch verstarren we vaak. In gewoontes of patronen. Door twijfel of angst. Door de buitenwereld of onszelf. En zo komt niet altijd boven wat er echt in ons leeft en waar we naar verlangen.

Mary Oliver schrijft het in haar gedicht zo mooi: er is het diepe verlangen om tot zingen te komen, maar wat is er veel dat ons daarbij in de weg zit. Dat ons dodelijk kan verstarren, zoals ook het bijbelverhaal laat zien.

Maar die verstarring – en dat klinkt zowel uit het evangelie, als uit het lied en het gedicht – is niet het laatste. En dat is geloof denk ik: dat wat het laatste lijkt, niet het laatste is. En dat God dit voor ons hoopt: dat we tot zingen, tot bloei, komen.

Al gaat dat niet vanzelf. We moeten daar onze beklemmende zorgen, onze angst dat het wel kan, onze valse bescheidenheid en ons cynisme voor los kunnen laten. We moeten onze plek in de maatschappij durven innemen en elkaar ook die plek gunnen. Dat verlangen – dat soms diep is weggestopt of kwijt geraakt – weer opgraven.
En er moet iemand zijn, er moeten mensen zijn, die ons daarbij helpen en ons de hand reiken. Mensen die ons zien en die ons in Gods Naam helpen te bestaan, te bestaan als mens.

En precies daarover lazen we. Twee verhalen die samen één vormen. Over een meisje dat op het punt staat volwassen te worden. Nog even en ze zal het huis van haar ouders verlaten en in het huwelijk treden. Dan wordt ze ziek. Zo ernstig, dat ze sterft. Kort daarna neemt iemand haar bij de hand en wordt ze opnieuw geboren.
En er is een vrouw die al jaren ziek is. Altijd ongesteld en doodvermoeid daardoor. Ze kan geen kinderen krijgen en wordt door iedereen gemeden, zo gaat dat in haar land, in haar tijd.
Ze staat weliswaar elke morgen op, maar leeft als een dode. En dan komt ze in aanraking met iemand en wordt ze opnieuw geboren.
Ze horen bij elkaar die vrouwen, die verhalen, en ze geven ons ver voorbij elke letterlijke betekenis een boodschap mee, een weg van leven. Genezingsverhalen zijn het, in de diepe symbolische betekenis van het woord.

Eerst dat verhaal van die vrouw, een naam krijgt ze niet in deze vertelling. Al twaalf jaar lijdt ze aan voortduren bloedverlies. Wat betekent dat ze voortdurend onrein is. En daardoor een sociale paria. Wat ze heeft is taboe en zo is ze zelf taboe. Ze kon net zo goed – of misschien wel beter – dood zijn.
Maar er is in haar nog dat verlangen. Er is nog de hoop op een toekomst. Ik denk aan dat schitterende lied dat we hoorden uit de Zweedse film As it is in heaven. De vrouw die het zingt is het slachtoffer van huiselijk geweld. Bij het minste of geringste wordt ze door haar man in elkaar geslagen. En ze gelooft zelf ook bijna dat ze niets voorstelt. Bijna, want het is er nog: dat sprankje eigenwaarde, dat vleugje hoop en dat kleine beetje moed. En al die kleine zijn genoeg. Genoeg om verder te komen, om weer te groeien als mens, om tot zingen te komen.

Zo stapt ook de vrouw uit ons verhaal uit de verborgenheid. Eerst nog voorzichtig, schuchter. Met de moed der wanhoop komt ze naar buiten en raakt ze Jezus aan. Aan de achterkant. Meer durft ze niet. Maar ook dat is genoeg. En dan volgt zo’n prachtig deel uit deze heilsgeschiedenis. Jezus die zich aangeraakt weet, zoekt de vrouw op in de menigte. Van de onzichtbaarheid, de onaanraakbaarheid, mag ze gezien en gehoord worden. En zo voelt ze het ook.

Want ze stapt naar voren en doet haar verhaal. Het hele verhaal. Ze kan zich eindelijk laten zien, ze mag zich laten horen. Met haar geloof, haar moed en haar verlangen. En met alles wat niet goed ging, met haar pijn, met wat ze misschien liever zou verstoppen. Ook dat mag er zijn, want het is er nu eenmaal. En ook dat is oké, om onze koning te citeren.
En misschien is het nog wel meer dan dat. En is het een levensvoorwaarde om een plek te hebben waar je jezelf kunt laten zien met alles wat je meedraagt. Niet door persé alles te moeten benoemen. Maar door je in elk geval niet te hoeven verstoppen achter een opgepoetst verhaal. Omdat je er sowieso bij hoort.

En zo spreekt Jezus haar ook aan. Helaas is het in onze vertaling weggevallen, maar in de oorspronkelijke tekst noemt hij haar ‘dochter’. Familie is ze. Ze hoort bij God en dus bij Hem. Zoals wij allemaal bij Christus horen. Bij degene die heel maakt. Die ruimte is. En die zegt: Ga in vrede. Vind je eigen weg. En zing, of je nu kunt zingen of niet.

En dan zoomt de camera van deze vertelling naar die andere dochter. Het meisje. Het kind. Twaalf jaar is ze. Alweer dat getal. Twaalf jaar, in het Israël van die tijd sta je dan op het punt een vrouw te worden.
En ook zij heeft geen naam. Ja, de naam van haar vader: ze is het dochtertje van Jaïrus, leidinggevende in de synagoge. Man van naam. Hij wel. Maar zij moet het doen met een afgeleide identiteit. Zij zelf is nog niemand. En misschien jaagt de volwassenheid haar zoveel angst aan dat ze niet wil eten en drinken. Misschien is de angst voor zelfstandig leven wel zo groot dat ze doodsangsten uitstaat. Bang om haar ouders teleur te stellen, bang om niet aan hun verwachtingen te voldoen. Om niet in het plaatje te passen.
Gevoelens die ons in elke levensfase gevangen kunnen houden trouwens. Of we nu vrouw of man zijn.

En zo komt zij maar niet tot haar bestemming. Ze kan het leven niet instappen. De drempel is te hoog.
Net als in het andere deel van deze tekst gaat het erover hoe we buiten het leven kunnen komen te staan. En ook hier komt er in het twaalfde jaar een verandering, een terugkeer naar het leven. Een nieuw begin.

En waar de vrouw het nodig had onderdeel te worden van iets groters, een familie, heeft dit meisje het juist nodig zich te kunnen emanciperen. Zelf iemand te zijn. Niet meer alleen ‘de dochter van’, maar een jonge vrouw die zelf vooruit kan. Die naar voren durft te stappen en te gaan lopen. Op weg te gaan. Haar eigen weg. Nu is mijn leven van mij, zij zou het ook kunnen zingen.

Tot slot, nog één belangrijk aspect uit deze vertelling: in beide verhalen speelt de aanraking een centrale rol.
Allereerst bij de bloedvloeiende vrouw. Zij wordt, door de aanraking, letterlijk en figuurlijk vruchtbaar. Een aanraking die van haar zelf uit is gegaan en die zeer gewaagd is. Maar ze laat zich niet langer tegenhouden door regels, door gewoonte, door een moraal. Zij, de onreine, doet tegen alles in wat ze moet doen: ze raakt aan wat heilig is. En raakt zij mij. Want hoe belangrijk is niet om het heilige aan te raken. Om ons te verbinden met ware schoonheid, om het werkelijk goede te naderen. Juist op moment dat we er doorheen zitten, dat we onszelf verre van mooi of goed voelen. Omdat dat wat heilig is en goed ons kan genezen. Omdat het licht en lucht geeft. Ons naar buiten trekt en tegelijk bij onszelf terugbrengt, omdat het ons verlangen streelt.
En ook in dat andere stuk van het verhaal gaat het om een aanraking, een genezend contact tussen wat onrein is – de dood, de dode – en volgens de regels niet zomaar aangeraakt zou mogen worden. Maar ook Jezus leeft voorbij de regels, hij leeft van liefde en hoop. En zo raakt hij haar aan, pakt haar hand en spreekt haar aan. En ze wordt wakker. Ze is ‘woke’, om die term uit de jongerenwereld van nu er mee te verbinden. Ze staat nu bewust in het leven, ze is zichzelf en zo wordt ook zij vruchtbaar.

Waar wij verlangen om iets nieuws te beginnen (iets dat past bij wie we zijn en bij wie we willen worden) hebben we dat nog altijd nodig:
De ervaring dat we aangeraakt worden door de Eeuwige, door wie en wat helend is in ons bestaan, door de Liefde.
En de moed om, hoe voorzichtig ook, zelf naar het heilige te reiken. Omdat daar een bron ligt van genezing en nieuw lichtheid. Iets dat ons tot zingen brengt, ondanks alles en voorbij onze zorgen.

Dat we zo ons leven in eigen hand nemen – hoe oud of jong we ook zijn en wat we ook meedragen – wetend dat we dat alleen kunnen doen als we ons gedragen voelen door God en door elkaar.

Daar begint het. Ook vandaag.

Amen.

Gebruikte literatuur oa: P. Schelling, Vreemd en bizar, lastige bijbelverhalen