Henk Helmantel 28 mei 2018

Preek uit de dienst van 28 mei nav het werk van Henk Helmantel, de tekst uit 1 Kon 19: 9-13 en het gedicht Over de eerbied II van Ida Gerhardt

 

 

 

Gemeente, lieve mensen van God,

Wat vragen toch veel van onszelf. Soms, wanneer ik van een afstand naar mijn leven en de wereld om me heen kijk, kan het me opeens overvallen: wat maken we ons toch druk en wat zijn er toch druk mee, met alles wat we van onszelf en elkaar vragen, wat we onszelf opleggen en op onze schouders meetorsen. In het dagelijks leven, in ons werk, ons gezin, in onze vriendschappen in wat we voor elkaar proberen te boksen, elke dag opnieuw.

En, als ik voor mezelf spreek tenminste, voor een deel ook in mijn geloof. Ik ben opgegroeid in een traditie waarin het christendom vooral ook handen en voeten moest krijgen in de maatschappij en de wereld. In een tijd van inspirerende visioenen van een andere wereld, het elan van de bevrijdingstheologie, van de grote woorden die moesten leiden tot een niet aflatende stroom van daden van recht en gerechtigheid. Een geloof en een gedeeld verlangen dat een bron van inspiratie voor zovelen is geweest, maar waarop ook talloze gelovigen zijn stuk gelopen, door teleurstelling, door de ervaring dat het hen soms bij de handen afbrak of door het gevoel dat ze langzaam maar zeker hun bron kwijt waren geraakt.

En hoewel ik nog altijd hecht aan de verantwoordelijkheid als essentieel deel van het christendom, hoewel ik er niet zonder zou willen: zonder dat appèl om de handen uit de mouwen te steken voor minder bedeelden, de wees, de weduw en ontheemde om het in bijbelse taal te zeggen en waar we nu in deze tijd onze eigen beelden bij hebben van mensen die ons nodig hebben, die liefde nodig hebben en praktische hulp en waartoe ook wij geroepen zijn om die blijven geven.
Hoewel ik dat deel van mijn geloof overeind wil houden en koester, heb ik er soms ook last van: van sluimerend schuldgevoel, van het feit dat ik soms harder loop dan goed voor me is en van het gevaar te weinig aandacht te geven aan de bron, aan mezelf, aan wat al goed is en daaronder en daarachter en daarboven: aan God.

En zo langzamerhand ontdek hoe essentieel juist ook die andere kant is, de rust waarop een gezond activisme gegrond is en besef ik, juist ook vanuit de bijbel, dat werken in de wijngaard alleen dan vruchtbaar kan blijven wanneer we het onszelf gunnen om er ook met regelmaat even stil te staan, te genieten van wat is, te wachten op wat komt, te herbronnen of in hedendaagse taal: ons op te laten voor wat komen gaat.

Een van de eye-openers was daarbij voor mij een inzicht over het scheppingsverhaal waarin ons verteld wordt dat God, de Schepper, op de zevende dag rust en dat dat niet voor niets de dag is nadat Hij de mens heeft gemaakt. De eerste dag die de mens meemaakte, was dus een rustdag.
En dat draagt de boodschap in zich dat ontspanning en het stilstaan bij de goede schepping de basis zijn van alles wat er verder van ons gevraagd wordt. De rustdag is niet voor niets de enige heilige dag van de zeven. Daar ligt de kern van ons bestaan: namelijk dat het leven goed is en dat we geschapen zijn om dat te ervaren. En wanneer we daar de tijd voor nemen, zien we misschien ook vaker hoe mooi het al is.
Ik leef vanuit de verwondering, zegt Henk Helmantel, en die verwondering schrijf ik toe aan God die alles gemaakt heeft.

Die attitude, leven vanuit de verwondering en de schoonheid, is niet altijd vanzelfsprekend. Want ook die andere kant is volop aanwezig en vraagt, schreeuwt, om onze aandacht. Ergens begrijp ik de mevrouw ook wel die ooit boos uit een tentoonstelling van helmantel wegliep en desgevraagd tegen hem zei: “De wereld die u schildert bestaat niet. U heeft alleen maar moois te bieden, terwijl er zoveel ellende is.”

Helmantel is calvinist en realist genoeg om dat niet te ontkennen, maar voor hem is het een bestaansvoorwaarde en een bewuste keuze om vanuit de schoonheid te leven en te werken. Om de bron van alles zelf steeds op te zoeken en tevoorschijn te toveren in zijn werk, dat inderdaad schoonheid, stilte en harmonie ademt. En daar ook vindt hij als kleine schepper de Schepper met een hoofdletter. Precies als hij alle geweld en alle drukte voor even heeft uitgebannen.

Ik moest toen ik vorige week naar zijn werk in MuseumGouda zat te kijken denken aan de tekst uit 1 Koningen die vanmorgen ook geklonken heeft, het verhaal van de profeet Elia die God in de stilte ontmoet. Of zoals een van de mooiste vertalingen luidt: in het gerucht van een tedere stilte.

Er wordt verteld over Elia, de grote profeet. Hij heeft naam gemaakt, hij heeft zoveel voor elkaar gekregen, hij is iemand, maar nu is hij vooral moe. Doodmoe. Zijn activisme voor God heeft hem uiteindelijk alleen maar ver van God en van zichzelf gebracht. Hij weet niet meer waar hij hem moet zoeken en hij merkt vooral waar God niet is. In alles wat groot is, wat hem overspoelt, wat zich met geweld aan hem en de wereld voordoet, daar is de Eeuwige niet.
En pas als de profeet helemaal op zichzelf is teruggeworpen, als hij alleen nog maar is, zonder afleiding, als zijn oren open gaan voor wat nauwelijks hoorbaar is en als de schellen hem van de ogen vallen doordat alle poespas is verdwenen, pas dan vindt hij God weer. Of misschien kun je beter zeggen: pas dan wordt hij weer gevonden en valt hij weer op zijn plaats, pas dan ook kan hij weer beginnen een profeet te zijn, een man van God.
In het gerucht van de tedere stilte, daar begint het weer. Daar vouwt het bestaan zich weer open, daar ontvang je weer wat je nodig hebt om te kunnen leven: daar is God, de Bron van het bestaan bij wie we op adem kunnen komen en die ons zijn schepping geeft met al die prachtige kleine, stille, mooie dingen waar we van leven mogen.

Dat gaat niet vanzelf. U weet het net zo goed als ik. We moeten er ruimte voor maken of anders worden we op een zeker moment hardhandig stil gezet, omdat we vroeg of laat stuk lopen op ons harde werken, op onze goede voornemens, op die handen uit de mouwen, op dat wat alleen vrucht kan dragen als we zorgen voor de basis van wat en wie we zijn.

Het is denk ik ook precies wat Etty Hillesum bedoelde toen zij midden in de oorlog, te midden van dreiging en geweld en al die pogingen daar tegen te vechten, in haar dagboek dit schreef: “Men moet, ondanks de vele mensen, de vele vragen, altijd een grote stilte met zich mee dragen, waarin men zich steeds terugtrekken kan, ook te midden van de grootste drukte.”

Je terugtrekken in de stilte dat is een levenskunst. En ik vermoed dat de schilder Helmantel een van de mensen is die die levenskunst beheerst.
En hij steekt niet onder stoelen of banken dat die kunst voor hem gegrond is in zijn geloof. En dat maakt denk ik ook dat het voor hem inderdaad de basis is, maar niet het eindpunt. Dat hij wel degelijk ook leeft van dat visioen. Zelf zei hij daarover, en het citaat staat ook op de liturgie afgedrukt: “We leven nu al in de schepping van God. Een aangetaste schepping, maar nog steeds zijn schepping. Dat kunnen we zien, voelen, ruiken en tasten. Het goede is nu al aanwezig en straks komt het nog beter en voller. Dan zal de volheid van Gods Koninkrijk ons versteld doen staan. Vanuit die belofte leef ik.”

Het raakte mij toen ik het las. Vanuit mijn valkuil om te focussen op alles wat beter zou kunnen, op hoeveel werk er nog aan de winkel is in mijn leven en in de wereld. En het valt, wonderlijk genoeg, niet mee om de verleiding te weerstaan om alles zelf te willen realiseren of op zijn minst alles gedaan te hebben wat ik zou kunnen doen. Maar soms is dat inderdaad een valkuil. Verliezen we onszelf als we in de wereld om ons heen Gods schepping niet meer zien, maar alleen dat wat niet mooi en niet af is.
En getuigt het soms van meer wijsheid om de dingen en onszelf de ruimte te geven, om te vertrouwen. Omdat in de rust de toekomst geboren wordt. Omdat de dingen en wijzelf de tijd nodig hebben, de tijd die even niet gevuld is.

Eenzelfde geloof vind ik in dat gedicht van Ida Gerhardt, die net als Helmantel vanuit haar geloof formuleert dat de bevlogenheid van het visioen niet zonder de rust van het vertrouwen kan. En dat het essentieel is om te wachten, om dingen inderdaad te laten gebeuren. Dat we onszelf niet hoeven te overvragen, sterker nog dat waar we dat doen, waar we alles voor elkaar denken te kunnen boksen, we juist dingen stuk maken.
Waar we de stilte niet zoeken, waar we de schoonheid niet meer zien, waar we alleen nog maar oog hebben voor wat nog moet en niet voor wat al is, daar missen we de zegen van de Schepper en de schepping.

De rust van God is deel van zijn scheppingswerk. En daar, in die rust en in die stilte, mag alles steeds weer opnieuw beginnen, mogen wij steeds opnieuw beginnen. Daar mogen we opademen en zien dat het ook nu al goed is.

Amen.