Doopdienst 11 november

Er is een oud verhaal van een indiaan die in de stad een blanke vriend bezoekt. Wanneer ze over een druk plein lopen pakt de indiaan zijn vriend plotseling bij de arm en zegt: “Stil eens… Hoor jij wat ik hoor?”
“Alles wat ik hoor is het geraas van verkeer en de stemmen en voetstappen van al die mensen”, antwoordt de blanke stedeling.
“Ik hoorde een krekel ergens in de buurt tsjirpen”, zegt de indiaan.
“Die zijn hier niet”, meent de blanke man, “en je kunt ze zeker niet horen door al die herrie.”
Maar zijn vriend loopt naar een huis dat met klimop is begroeid. Hij haalt voorzichtig een tak weg en daar zit inderdaad een krekel te tsjirpen.

“Jullie indianen hebben nu eenmaal een beter gehoor dan wij”, verontschuldigt de stedeling zich. Lachend schudt de indiaan zijn hoofd en zegt: “Ik zal je bewijzen dat dat niet zo is.” Hij neemt een muntje uit zijn zak en gooit dat over straat. De voorbijgangers kijken op, ondanks al het verkeerslawaai.
En de indiaan zegt: “Het geluid van dit muntstuk was niet luider dan dat van de krekel. Maar toch hebben veel mensen het gehoord. De oorzaak ligt voor de hand: mensen horen alleen waar ze op gericht zijn en wat hun hart wil horen.”

Gemeente,
Mensen horen (en zien) vaak alleen waar ze op gericht zijn. Wat we ontdekken en over het hoofd zien in de wereld om ons heen, hangt voor een belangrijk deel samen met onze mindset, onze levensinstelling en met dat waar we in getraind zijn of ons in geoefend hebben.

Waar let je op, waar heb je oog voor? Die vraag is in het leven misschien belangrijker dan het lijkt, omdat het zoveel bepaalt. Het bepaalt onze keuzes, dat waar we voor gaan, waar we in geloven. Het bepaalt de manier waarop we in het leven staan. En is daarom ook belangrijk om onszelf en elkaar, bijvoorbeeld in de opvoeding, regelmatig die vraag te stellen.

Wat zie je in de wereld, naar welke stemmen in jezelf en om je heen luister je en welke keuzes maak je vervolgens? Hoor je de krekel of het muntstuk? Zie je wat er is of wat er kan zijn? En waar leef je van?

De tekst uit Genesis die ik net las gaat ook over die vraag. Abram en zijn neef Lot, u weet het misschien, zijn samen vertrokken uit hun land van herkomst. Abram gedreven door een stem, een visioen. Hij zoekt naar een plek, naar een leven, dat uit meer bestaat dan het gewone. Het land van melk en honing, het leven waarin een mens werkelijk tot bloei komt. En zijn neefje Lot is met hem mee gegaan.

Maar op den duur werkt het niet meer samen. Ze zijn elkaar te veel. Het past niet meer. Ze moeten, zoals dat in het leven wel vaker gaat, verschillende kanten op. En Abram laat zijn neef vervolgens de keuze: “Kijk eens om je heen, kies jij maar welke kant je op wilt.”

En dan blijkt dat Lot doet wat wij allemaal misschien geneigd zijn om te doen: hij kiest op het eerste gezicht. Hij kijkt. En hij ziet alleen wat al voorhanden is. En zo wil hij het pakken.

En die rijke symbolische taal van de Bijbel vertelt dan dat Lot een vallei ziet, even waterrijk als de tuin van Eden en als Egypte. Bij de getrainde bijbellezer moeten dan de alarmbellen af gaan, want waar de tuin van Eden het paradijs (het goede leven dus) symboliseert, daar staat het land Egypte voor een leven van slavernij, voor zwoegen zonder uitzicht, voor overleven in plaats van leven.

En wie het onderscheid niet kan zien tussen de werkelijke schoonheid en goedheid van het paradijs aan de ene kant, en het oppervlakkige geluk van Egypte (waar het goede leven alleen voor de lucky ones is weggelegd), die begaat een geweldige vergissing.

Die ziet niet wat werkelijk perspectief geeft en wat ons alleen tijdelijk geluk en bevrediging geeft, ten koste van anderen en uiteindelijk ook ten koste van onszelf. En het vervolg van de geschiedenis van Lot maakt dit bitter duidelijk, wanneer hij uiteindelijk bijna met de stad waar hij gaat wonen ten onder zal gaan.

Wat zie je en wat kies je? Noodgedwongen haast gaat Abram de andere kant op, naar het land dat op het eerste gezicht weinig belofte en weinig geluk lijkt te bieden. Maar hij ziet dat anders. Nico ter Linden beschrijft dat prachtig in zijn hervertelling van de bijbel: voor Abram strekt zich een dorre vlakte uit. Maar hij kijkt met de ogen van het geloof. En zachtjes zingt hij het lied over de steppe die zal bloeien als een roos. ‘Wat is dat voor liedje?’, vraagt Saraï. ‘Ach’, zegt Abram, ‘zomaar wat.’ En samen trekken zij het land Kanaän binnen.

Kiezen is een kunst. Verder kijken dan het eerste gezicht een levenskunst. Het is een uitdaging dat in de opvoeding en in je eigen leven steeds weer vorm te geven. Om jezelf en de mensen om je heen te stimuleren keuzes te maken vanuit hun hart, vanuit risico soms, en als het nodig is buiten de gebaande paden. Het olifantenpaadje op de voorkant van de liturgie symboliseert dat treffend.
Durf je eigen weg te gaan. Die soms met anderen samen oploopt en soms anders gaat. Die je voor verrassingen doet komen te staan. Want daar tsjirpt misschien juist de krekel die muziek geeft aan je leven.

Dat klinkt prachtig natuurlijk. En dat is het ook, maar het is geen garantie voor een leven zonder vergissingen. Niet altijd weet je wat de juiste keuzes is en soms kies je een weg waar je later spijt van hebt. Ook dat hoort bij het leven. En een belangrijke vraag is dan hoe we vervolgens met onszelf en elkaar omgaan. En hoe we naar onszelf en anderen kijken nadat we een fout hebben gemaakt, een verkeerde weg hebben gekozen, wanneer we vastgelopen zijn misschien, verloren geraakt.

In dat kader klonken vandaag ook woorden van de evangelist Lucas. Het zijn woorden uit het hart van zijn bijbelboek en het gaat precies over dat wat volgens Lucas hetgene is wat Jezus steeds weer doet en waartoe hij ons wil inspireren: redden wat verloren is.

Waar mensen vast zijn komen te zitten, waar ze hun bestemming, hun roeping, uit het oog dreigen te verliezen, waar ze – figuurlijk gezien – verdwalen, daar wil Jezus hen in Gods naam weer bij het leven halen, weer op het juiste pad brengen.
En dat juiste pad is dan niet wat wij er soms bij denken: de burgerlijke weg van wat wel en niet mag, van wat wij mensen vinden dat hoort, nee, het juiste pad is de weg die ons goed doet, in de diepste zin van het woord. En voor de één is dat een leven binnen de grenzen van wat in de maatschappij als normaal of succesvol gezien wordt en voor de ander is het misschien een leven ver weg van die gebaande paden. Tenslotte is ieder mens gelukkig anders.

Ik las twee gelijkenissen voor: die van het verdwaalde schaap en die van het muntstuk, de penning, die kwijt raakte. Er hoort nog een gelijkenis achter die ik onder andere vanwege de tijd niet heb gelezen, maar die u ongetwijfeld bijna allemaal zult kennen: die van de verloren zoon. Zoeken wat verloren is, staat er ook wel eens boven die teksten. En ik heb ook lang gedacht dat het eigenlijk drie keer hetzelfde verhaal is, maar dan net anders verpakt. Met als boodschap dat God zich bekommert om wie verloren zijn, dat in de zorg voor hen zijn grootste prioriteit ligt. En dat wij dat in zijn spoor ook mogen proberen te doen.

Maar in de voorbereiding op deze dienst ontdekte ik dat er veel meer wijsheid in de tekst verborgen ligt dan ik eerder zag. Het mooie is, dat de situatie drie keer anders is en daarom ook drie keer een andere aanpak vraagt.

In het eerste verhaal is het schaap per ongeluk van de kudde verwijderd geraakt, verdwaald zonder dat dat zijn bedoeling was. Misschien werd hij ongemerkt door iets aangetrokken, een vers stukje groen of iets anders. En is hij zo steeds verder weggelopen tot hij uiteindelijk de kudde kwijt was. En waar dat het geval is, is het zaak voor de herder om te gaan zoeken. Net zolang tot het schaap – tot de verdwaalde – gevonden is en hem of haar liefdevol thuis te brengen. In de hoop dat hij of zij er wat van geleerd heeft.

Het tweede verhaal heeft een andere lading: de penning die in huis verloren is, was waarschijnlijk deel van een bruidssnoer. Vrouwen uit die tijd droegen vaak de tien gouden munten die ze als huwelijksgeschenk kregen in een halssieraad om hun nek. En nu is er dus een kwijtgeraakt, in huis.

Het stelt ons de vraag hoe het kan gebeuren dat iets (en dat iets staat hier natuurlijk voor iemand), dat iemand in de vertrouwde kring zelf kwijt raakt. Hoe kan het dat iemand in een gezin, in een vriendengroep, in de kerk misschien, niet meer zichtbaar is, zich verloren weet? En wanneer dat zo is, speelt de naaste omgeving wellicht haast een grotere rol dan de verlorene zelf. En dan is het niet in eerste instantie zaak om te gaan zoeken, maar moet eerst de bezem door het huis.

De vrouw uit het verhaal gaat vegen. Wanneer, zo zou je kunnen zeggen, iemand in een groep niet meer tot zijn recht komt, moet misschien eerst de omgeving opgeschud worden: wat is er met ons gebeurd dat iemand zomaar verloren kan raken? En pas als we daar zicht op hebben, als we zelf grote schoonmaak hebben gehouden, dan vinden we elkaar weer terug, dan maakt die ene penning weer deel uit van het snoer.

En bij de verloren zoon tenslotte gaat het om iemand die welbewust een keuze heeft gemaakt die tot verwijdering leidt. Ook dat gebeurt in elk van onze levens wel eens (soms in het klein, soms met grote gevolgen). En dan kun je en moet je laten weten dat je er nog steeds wilt zijn voor de ander, maar tegelijk kun je hem of haar niet dwingen terug te komen.

Het gaat hier om een weg van vallen en opstaan, van de ander laten ontdekken hoe en wanneer hij terug wilt keren. Dan is het zinloos om te zoeken of te vegen, dan mag en moet je wachten. En dat wachten, dat is het mooie, dat is niet per definitie iets passiefs. Het is een hartstochtelijk wachten, met hart en ziel, met open armen. Maar uiteindelijk moet de ander zelf de weg naar huis vinden.

Het is in de opvoeding van kinderen, maar ook in onze omgang met elkaar, de kunst het verschil te zien tussen die situaties. Wanneer ga je zoeken? Wanneer is het essentieel om eerst naar je zelf, je gezin of de omgeving te kijken voor je een ander terug kunt vinden? En wanneer is het – hoe moeilijk ook – tijd om te wachten, om ruimte te geven. Om in vertrouwen hartstochtelijk te hopen en uit te zien naar de thuiskomst van de ander?

En in al die verschillende situaties is het uitgangspunt steeds dat wat God ons voorhoudt en wat Jezus ons voorleeft: redden wat verloren is, er voor elkaar zijn, nooit accepteren dat iemand verloren gaat, dat iemand zichzelf verliest. Omdat we van elkaar houden. En in de bijbel is houden van altijd meer dan een gevoel: het is je geroepen weten er voor een ander te zijn, op een manier die passend en helend is. Telkens anders dus.

En het is onze opdracht elkaar steeds weer terzijde te willen staan bij al die momenten dat een beroep gedaan wordt op onze keuzemogelijkheden. Elkaar terzijde te staan als we op onze levensweg verder groeien en oog en oor mogen ontwikkelen voor wat verder gaat dan het eerste gehoor en het eerste gezicht: de toekomstmuziek van het visioen, het zachte geluid van de schepping, die kleine paadjes die ons op verrassende plekken brengen en de stem van de naaste die ons nodig heeft en die wij lief mogen hebben.

Amen.