Preek bij 1 Kor 13

Gedicht Toon Tellegen en Lucas 8 uit Woord voor Woord

Uit het antwoord van de Korintiers

…het zijn mooie woorden
Wij hebben ze aan alle kanten bekeken
We hebben ze ook aangekleed en laten dansen.
Ze konden er niets van.
Ze trapten op elkaars tenen, klemden zich aan elkaar vast
en vielen om.
We moesten ze ophijsen- ze konden zelf niet overeind komen.
We hebben ze in een luie stoel gezet.
ze slapen nu.
Ze snurken.
Als ze wakker worden zien we wel weer verder.
Áls ze wakker worden.

Wat ons rest zijn onrust, verlangen en onhandigheid,
die drie
en van die drie onhandigheid het meest.

© Toon Tellegen,
uit Minuscule oorlogen,
Querido, 2004

Hoe zouden de Korintiërs, of mensen uit die andere kleine christelijke gemeentes, nou gereageerd hebben als ze een brief van Paulus ontvingen? Zouden ze zich vereerd hebben gevoeld dat hij de moeite nam hen te schrijven? Zouden ze zijn woorden steeds met elkaar opnieuw met elkaar gelezen en besproken hebben? Zouden ze samen bedacht hebben wat ze hem terug wilden schrijven of bleef dat een zaak van de leiding van de gemeente? En zouden die eerste christenen in Korinthe die woorden over de liefde net zo mooi hebben gevonden als wij ze nu vinden? Of waren het voor hen vooral woorden waardoor ze zich beschaamd voelden, omdat het er in hun gemeente helemaal niet zo liefdevol aan toe ging?

Er was gedoe in Korinthe. En de contacten met Paulus verliepen ook niet altijd even soepel. Er waren over en weer verwijten. En binnen de gemeente bestonden verschillende stromingen die niet altijd evenveel begrip en ruimte voor elkaar hadden. Sterke nog er waren felle meningsverschillen. Ook toen al was de kerk niet altijd het schoolvoorbeeld van een warme omgeving waar mensen elkaar alleen positief benaderen. Ook toen al bleek telkens weer hoe lastig het is om die mooie woorden ook waar te maken met elkaar. Maar Paulus wil zich, hoe realistisch hij tegelijk ook is, daar niet bij neerleggen. Hij doet een dringend beroep op zijn lezers om het anders te doen. Vanuit de overtuiging dat het er om gaat wat ons in Christus bindt, namelijk de ervaring dat de liefde het eerste en het laatste woord zou moeten hebben. En dat op die manier de verdeeldheid te doorbreken is, als we daar de nadruk op leggen.

Ik moet denken aan die bekende spreuk die onder andere in verschillende remonstrantse kerkgebouwen te vinden is: “Eenheid in het nodige, vrijheid in het onzekere en in alles de liefde.” Wanneer de liefde centraal staat in ons samenleven, kunnen we de verscheidenheid laten bestaan zonder dat die tot verdeeldheid leidt.

De liefde die bepalend is. Dat wil ook zeggen dat het leven belangrijk is dan de finesses van de leer. En dat zijn we in de geschiedenis van de kerk ook nog wel eens vergeten. Vaak hebben we het geloof benaderd alsof het vooral een vorm van denken en overtuige is. Iets waarmee je het wel of niet eens kunt zijn. Wat je wel of niet kunt begrijpen. Waar je over kunt debatteren. En misschien is dat ook allemaal waar, maar het is niet het hele verhaal en zelfs niet het belangrijkste deel ervan. Geloven is geen denksport voor gevorderden, maar een praktijk. En wel een praktijk van barmhartigheid. Mensen hoeven helemaal niet te begrijpen hoe het precies zit. Wij hoeven het ook helemaal niet uit te leggen. We hoeven het niet in alles met elkaar eens te zijn. Als er maar echte caritas is. Echt geduld. Echt vergeven. Daar gaat het om en daar openbaart zich de kern van het christendom. In de liefde.

En daar sta je dan als lid van die gemeente in Korinthe. En je bedenkt je wat je er met elkaar van gemaakt hebt daar, of vooral: wat je er niet van gemaakt hebt. Of je leest die brief bijna twintig eeuwen later en je moet toegeven dat die brief als je eerlijk bent ons nog even zeer een spiegel voorhoudt en beschaamd maakt. Ja, het zijn mooie woorden. En ja, wat is de liefde prachtig. Maar vooral ook: wat bakken we er vaak bitter weinig van. Wat glijdt het ons vaak tussen onze vingers door. Ondanks die mooie bedoelingen. Wat gaat het toch vaak om onszelf.
En wat blijft dat ideaal voor ons, lieve, onhandige mensen, vaak buiten handbereik. Niet eens omdat we slecht zijn, maar omdat we mensen zijn die zoals een lied zegt: aan elkaar verslijten. Ongewild en schijnbaar onontkoombaar.

Die oude dichter Adriaan Roland Holst heeft dat zo ontroerend mooi verwoord:

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder de wind in hulpeloos verdriet.

Wij zijn maar als de blaren in de wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –

Er valt, voor wie eerlijk is, meestal niet te veel op de borst te kloppen. Ja, natuurlijk: mensen doen geweldige dingen, er worden dromen waargemaakt en we kunnen in de wereld iets veranderen met elkaar, maar zolang we mensen zijn, blijft die andere kant ook altijd bestaan: de ervaring dat het ons bij de handen afbreekt, dat we doen wat we niet willen doen, dingen zeggen waar we spijt van krijgen en dat het een ideaal maar geen werkelijkheid wil worden.

Je kunt daar boos of somber over worden, je kunt er met een zeker begrip en een zekere ontroering over spreken (zoals Toon Tellegen en Roland Holst dat doen), en misschien het zelfs ook nog positief duiden.
Dat doet bijvoorbeeld de frans-joodse filosoof Marc-Alain Ouaknin. In ieders dagelijks leven, zo zegt deze rabbijn, volgen gebrokenheid en herstel elkaar steeds op. Het is de taak van ons allemaal om de gebrokenheid en de imperfectie te lijf te gaan. En tegelijk zal dat altijd vergeefs zijn. Maar, klinkt het dan: die vergeefsheid is juist een zegen voor de mens. Want het slagen van dat streven naar herstel zou een voltooide mens beteken, een dode mens feitelijk omdat hij ronddoolt in saaie perfectie, zonder de mogelijkheid om zelf keuzes te maken.
Maar dat het niet zal lukken en dat dat dus misschien zelfs goed is, neemt niet weg dat het onze verantwoordelijkheid blijft om toch steeds te proberen vanuit God te leven. Ouaknin gebruikt daarbij een beeld uit de kabbala dat ons vertelt dat er in elk mens een vonkje licht, een stukje van God, in de ziel verborgen ligt. Aan elk mens de taak om dat vonkje licht in de ogen van de ander te herkennen.

En daarvoor moet je de ander wel aankijken. De verbinding blijven zoeken. Hoe vaak dat ook mislukt. Hoe onhandig we ook zijn. Hoe stuntelig in de liefde voor de naaste. Want we zijn wel elkaars verantwoordelijkheid. En we kunnen ons er niet bij neerleggen dat sommigen van ons buiten de boot vallen. Om welke reden dan ook zich niet thuis voelen bij de mensen of bewust op een afstand gehouden worden. Hoe lastig het ook is, hoe onthand we ons ook voelen soms in het contact met een vreemd of met een bekende die ons vreemd is geworden, die opdracht van liefde laat ons niet los.

We hoorden dat hartverscheurende verhaal uit Lucas, opnieuw verteld door Karel Eykman. Ik heb het altijd een van de meest aangrijpende bijbelverhalen gevonden. Vooral ook omdat ik denk dat het op het eerste gezicht weliswaar lijkt te gaan over een mens die wel heel ver weg is geraakt van zichzelf en van de maatschappij – zo ver zal het met de meesten van ons gelukkig niet komen – maar wie beter leest, zal misschien ook ontdekken dat het in essentie over ons allemaal gaat. Over de ervaring die bij het leven hoort, namelijk dat er periodes zijn dat je je niet verbonden voelt. Fases in je leven waarop je niet weet waar je naar toe kan of wilt. Momenten waarop je dingen doet of zegt die eigenlijk niet bij je passen. De ervaring van afgewezen worden. De vraag of er nog iemand is die zoekt naar het vonkje licht in je ogen. Van God en mens verlaten. Dat gevoel.

En niet altijd kunnen we dat gevoel voor een ander opheffen, maar we mogen in elk geval proberen elkaar in liefde te omarmen. Proberen om de ander niet op te geven. Maar in navolging van Jezus er te blijven zijn voor ander. Te blijven vertrouwen dat er een opening kan komen. Ook voor onszelf trouwens. Want die ontferming waarover het in dit verhaal gaat hebben we allemaal nodig.

En ik denk dat het verhaal over Jezus daarom evangelie – blijde boodschap – heet. Omdat het vertelt dat we allemaal door Gods liefde omarmd worden. Hoe ver weg ook geraakt zijn in dit leven. Hoe we ook bepaald worden door onrust en onhandigheid. Of nee, juist daarom. Omdat we niet perfect zijn en niet perfect hoeven te zijn. Omdat God naar ons kijkt en ziet hoe menselijk we zijn. Hij neemt ons onvermogen voor lief en dat is het verhaal van ons leven.

En vervolgens is het aan ons dat verhaal voorzichtig aan te pakken en verder te vertellen, verder te leven. Dat verhaal van liefde en vergeving. Bijna te groot voor ons om te tillen, maar soms opeens lukt het om het aan elkaar door te geven, om dat vonkje te zien, om in elkaar onze goddelijke oorsprong en bestemming te herkennen. En waar dat gebeurt worden we als nieuw en begint de wereld als het ware opnieuw.

Van de week vertelde iemand in een kring een heel persoonlijk verhaal over verzoening en vergeving. En toen realiseerde ik me weer eens wat een kracht mensen in zich kunnen hebben, de kracht om open te gaan voor elkaar en daardoor inderdaad een nieuw begin te maken, hoe pijnlijk sommige dingen ook zijn en blijven. Maar die pijn staat dan de liefde niet meer in de weg.
Ik moet denken aan een zin die ik ooit las en die ik wel eens eerder hier gedeeld heb: ‘Vergeving is de hoop op een beter verleden opgeven.’ Het is nog veel meer denk ik, maar het is ook dat. Dat je accepteert dat wat geweest is niet meer zal veranderen. Het is niet weg, maar het staat ook niet meer in de weg. Er is ruimte om weer te beginnen, om weer te leven. Je mag weer mens zijn.

In de vertelling van Lucas staan ze niet, die slotzinnen uit de hervertelling van Karel Eykman. Ze zijn een zeldzaam mooie vondst van Eykman zelf: “Hoe heet je?” vroeg Jezus weer. “Ik heet Adam”, zei de man.

Adam, u weet het misschien, betekent: mens. Deze man is door de liefde weer mens geworden. En precies dat is wat ons allemaal zo gegund is. Waartoe we bestemd zijn.
Mens te mogen zijn, met al onze onhandigheid, maar ook met dat vonkje licht in ons, dat maakt dat ieder van ons raakt aan de Eeuwige bij wie we thuis horen.

Talloze ervaringen en verhalen kun je daarbij vertellen. Ik deel er tot slot graag nog één met jullie. Een verhaal over de dit jaar overleden priester en kunstenaar Omer Gielliet uit Breskens. Gedurende zijn leven maakte hij beelden van het hout dat hij opviste uit de Westerschelde. Ooit had hij weer eens een balk uit het water gered. Het had er zo lang in gelegen, dat veel van het hout rot was. Toen hij de rotte plekken wegsneed, kwam er als vanzelf een crucifix tevoorschijn. Hij hoefde er eigenlijk niets meer aan te doen.

Gielliet nam het beeld mee naar een viering in het huis van bewaring in Middelburg. “Die jongens begrepen precies wat ik bedoelde,” vertelde hij later, “als je de rottigheid wegsnijdt, blijft er een gave kern over.”

Dat is het verhaal dat verteld moet worden. Het gaat uiteindelijk niet om onze onhandigheid, niet om wat we fout doen of om waar we terecht komen. Het gaat erom dat we in onszelf en in elkaar die gave kern blijven zoeken en vinden. En het gaat er om dat we weten mogen dat God die kern altijd ziet, hoe verborgen soms ook. En zo kunnen we bij Hem altijd thuis komen, als mens.

Amen.