Dwaze wijze maagden

Preek bij Mattheus 25:1-13

DIT IS DE TIJD
Dit is de tijd. Je mag zeven keer raden.
Zeven maal zeventig keer heb je de tijd
om gissend en missend, door schande en schade
wijs, te ontkomen aan de kwade
droom van de wenteltrap eeuwigheid.

Dit is de tijd, de tijd om te zorgen,
zorgend staan met je rug naar het vuur,
bloot aan de dood, in het leven geborgen,
lezen de schaduwen van morgen
spelender-, spellenderwijs op de muur.

Dit is de tijd. God zelf staat zonder
zich te verroeren andersom.
Dit is de tijd. Er gebeurt geen wonder,
maar Hij telt langzaam van een tot honderd,
tot honderdtien… en dan: “Ik kom”.

Met de laatste zinnen van zijn gedicht ‘Dit is de tijd’ schetst de dichter Jan Wit een van de problemen waar we tegen aanlopen bij het lezen van sommige bijbelteksten. De verwachting van de wederkomst van Jezus waar in de eerste eeuw nog zo krachtig mee gerekend werd en op gehoopt, is bij de meeste christenen ondertussen ver weg gezakt.
Als we er überhaupt nog in geloven, hebben we in ieder geval moeten concluderen dat God niet tot honderd telt en eigenlijk zelfs niet tot honderdtien, maar dat ons geduld nog veel langer op de proef wordt gesteld.

En velen van ons leven – zo vermoed ik – helemaal niet meer met het geloof in de wederkomst. Wat niet wil zeggen dat we geen visioen meer hebben van het Koninkrijk of geen hoop meer voor de toekomst, het is alleen niet meer ingekaderd in dat oude bijbelse beeld.
En dan is de vraag wat we nog kunnen met verhalen als die uit het evangelie van vandaag. Een verhaal dat op mij als kind altijd indruk heeft gemaakt, misschien omdat het zo beeldend is: je ziet het voor je, die meisjes die voor de deur van de feestzaal staan, terwijl hun vriendinnen wel worden binnen gelaten. Discriminerend deurbeleid avant la lettre.
Het is op het eerste gezicht ook een gesloten verhaal, met een bitter einde en de associatie met die zware theologie van uitverkorenen en verworpenen, waar generaties lang mee bang gemaakt zijn en onder geleden hebben. Denk maar aan de boeken van Jan Siebelink en Maarten ’t Hart.

Ik moet toegeven dat ik de afgelopen week even spijt had dat ik, aan de hand van het oecumenisch leesrooster, deze tekst voor vandaag had gekozen. En het was dat ik er met Jan Douwes al muziek voor had uitgezocht, anders had ik me misschien wel laten verleiden om dit verhaal alsnog opzij te leggen. Nu moest ik wel. En het mooie is dan dat het bezig zijn met de bijbel en er veel omheen lezen de tekst toch weer op een nieuwe manier doet opengaan. Ook dit verhaal.

In mijn oude bijbeltje, dat ik ooit kreeg bij het afscheid van de lagere school, staat boven deze pericoop de titel: de dwaze en de wijze maagden. En zo heb ik het ook altijd gelezen, alsof het thema inderdaad het onderscheid is tussen twee groepen mensen: wijs en dwaas. Maar, zoals wel vaker in dit soort bijbelteksten, gaat het – zo ontdekte ik studerenderwijs – niet om soorten mensen die je tegenover elkaar kunt zetten, maar om verschillende levenswijzen. Dit hoofdstuk behandelt de vraag met welke manier van leven we verder komen. Welke houding past ons als we in het spoor van Jezus willen gaan, wat brengt ons dichter bij God en wanneer raken we hopeloos van hem en van onszelf verwijderd?

Dit verhaal wil ons uitdagen daar over na te denken. In die zin is het ook geen verhaal over de laatste dingen, over het einde der tijden, maar over de voorlaatste dingen, zoals de theoloog Bonhoeffer dat zegt. Of met de woorden van Jan Wit: dit is de tijd, juist ook met het oog op het Koninkrijk, moet het hier gebeuren. Hier leven onze vragen, hier zoeken wij antwoorden, hier maken wij onze keuzes, keuzes die er toe doen. En hier ook vinden of verliezen we God. Huub Oosterhuis zegt het mooi in een van mijn lievelingsliederen: Hier in dit stervend bestaan wordt hij voor ons geloofwaardig, worden wij mensen van God, liefde op leven en dood.

Het gaat ergens om – in figuurlijke zin om leven en dood inderdaad – dat vertelt ons deze tekst. En vervolgens wordt ons de vraag gesteld hoe wij omgaan met dit bestaan waarin er zoveel gebeurt dat ons afleidt van datgene wat er werkelijk toe doet, waarin het visioen uit zicht raakt en wij onze alertheid verliezen.

Want dat gebeurt vroeger of later aan ons allemaal. De bijbel is daar ook realistisch in: alle tien de meisjes vallen in slaap, ook de wijze. Het is onontkoombaar, niemand van ons is altijd scherp en alert. We worden door ons geluk in slaap gesust of door ons ongeluk leeg gezogen. Niemand uitgezonderd. Het hoort erbij en het wordt ons niet aangerekend. Sterker nog, in het evangelie wordt met begrip en liefde gesproken over wie vermoeid en belast zijn. Jezus kijkt met ontferming naar de massa’s, naar al die mensen met hun kleine en grote worstelingen. Niemand is altijd alert en dat wordt ook niet van ons gevraagd.

De vraag is niet hoe we voorkomen dat we bij tijd en wijle vastlopen, de moed verliezen en niet meer gericht zijn op het grote visioen van dat Koninkrijk, de vraag is wat we in betere tijden gedaan hebben om te zorgen dat dit niet het begin van het einde is. Wat hebben we verzameld om ons weer op te kunnen laden? Hebben we onszelf voldoende gevoed, zo dat we ergens op terug kunnen vallen? Zijn we wijs genoeg om telkens weer de tijd te nemen om naast onze wereldse verplichtingen en verleidingen dingen te doen, te lezen, te bekijken die ons weer wakker schudden en blijvend inspireren? Vergeten we niet om af en toe stil te staan en stil te worde?. Blijven we vragen stellen bij wat zeker en vanzelfsprekend lijkt, zodat we kunnen groeien in ons geloof en zodat twijfel ons niet wegblaast, maar ruimte geeft? Leggen we voorraden aan voor tijden dat we leeg zijn en moe?

Het is een wijs advies dat we hier aangereikt krijgen. Want wanneer we zo’n reserve niet aanleggen, lopen we hopeloos vast en gaat de toekomst voor ons dicht.

En die wijze meisjes dan? Waarom delen die niet iets van hun olie? Ik ben vast niet de enige die tegen dat deel van het verhaal is opgebotst. En ik kreeg er nooit een bevredigend antwoord op. Tot mij door een commentaar op deze tekst een licht opging over de betekenis van juist dit stukje van het verhaal. Die voorraad, die reserveolie, datgene waar wij ten diepste toe op terug kunnen vallen is simpelweg niet overdraagbaar. Daar is het te persoonlijk voor. Al zou je het nog zo graag aan een ander willen geven, het werkt niet.

We kunnen elkaar als mensen inspireren – gelukkig maar! – , we kunnen elkaar bij de les proberen te houden, we kunnen elkaar soms troosten en oppeppen, maar als we zelf niets hebben opgebouwd in ons binnenste, als we de bron hebben laten droogvallen, dan kan een ander die niet voor ons vullen.

Ons diepste geloof, de ervaringen die we hebben opgedaan en die ons sterk hebben gemaakt, de bronnen van licht en inspiratie die we verzameld hebben, die kan niemand ons afnemen, dat is het mooie. Maar dat betekent tegelijk ook dat ze niet overdraagbaar zijn. We kunnen erover vertellen, we kunnen er van delen, maar een ander kan niet van jouw ervaringen leven. En andersom. Hoe graag we dat soms ook zouden willen. We zijn zelf verantwoordelijk voor onze reserve-olie. En wie wijs is, bouwt daarom voortdurend ook aan de binnenkant van zijn bestaan. Want anders verlies je jezelf en je verliest het zicht op het leven zoals het bedoeld is en zoals God het ons voorhoudt, ook nu al.

En dat is waar deze gelijkenis ons voor wil waarschuwen en behoeden. “Ik ken jullie niet”, zegt de heer uit het verhaal tegen de dwaze meisjes. Ik heb dat als kind altijd gehoord alsof hij zei: “Ik wil jullie niet kennen”. Het laatste oordeel waarin we een hardvochtige God ontmoeten.
Maar in het licht van het voorgaande ben ik ook deze woorden anders gaan lezen. En ik hoor er nu geen oordeel meer in, maar zorg. “Ik ken je niet” klinkt voor mij nu heel anders, ik hoor een God die zegt: “Wat is er van je geworden? Wat heb je met jezelf gedaan dat ik je niet meer herken? Ik zie de mens niet meer die ik bedoeld heb.”

Waar wij onze ziel niet onderhouden, zijn we ook niet meer thuis bij God. Dan gaat er een deur dicht. En waar wij het visioen niet koesteren, waar wij de reserves niet meer hebben om te geloven en te werken in en aan het Koninkrijk, daar verdwijnt die betere wereld tot ver achter de horizon. En het is onze verantwoordelijkheid om het zover niet te laten komen.

Tot slot, het is een gelijkenis en geen toekomstvoorspelling, maar toch blijft dat einde schuren. Want wat moet er nu met die dwaze meisjes? Wat gebeurt er nu met ons als het niet lukt? Is het dan einde verhaal? Kunnen we definitief die verbinding kwijtraken? Ik geloof dat dat onbijbels zou zijn. De diepste waarheid van het evangelie is dat er in het licht van God altijd hoop is. En dat als wij hem kwijtraken, Hij ons gaat zoeken.

Iemand schreef vanuit die gedachte en voortbordurend op ons verhaal het volgende: “Op die bruiloft, te midden van het feestgedruis, vroeg iemand: Waar is de bruidegom toch gebleven? Die bleek in al het feestgeruis inmiddels ernstig zoek, de dans viel stil, een glas brak. Tot men hem buiten vond, bij degenen zonder licht, hen voorgaand als een vuurkolom. Ach, die geheime liaison van de bruidegom met zijn vijf dwaze meisjes, dat gaat niemand iets aan.”

Wij mensen zijn misschien wel meer van het oordeel dan God. Want Hij legt zich er niet bij neer wanneer wij onherkenbaar zijn geworden en van onszelf en hem vervreemd. Het is Gods verlangen dat wij leven van het licht, daarom doet Hij een beroep op ons om dat licht vast te houden. En waar dat niet lukt, neemt Hij ons onvermogen voor lief, zo geloof ik. En daar gebeurt dan toch dat wonder, als is het pas na meer dan honderd tellen. Dat wonder dat zo schitterend verwoord is door Jochen Klepper, in dat Adventslied dat ik in die periode ook altijd weer laat zingen:

God lijkt wel diep verborgen
in onze duisternis
Maar schenkt ons toch een morgen
die vol van luister is.
Hij komt ons toch te stade
ook in het strengst gericht.
Zijn oordeel is genade
zijn duisternis is licht.

Amen.

Bronvermelding: Het citaat waarin wordt voortgeborduurd op het slot van de gelijkenis komt uit het Tijdschrift voor Verkondiging en is van de hand van K. Touwen.